|
Na de overdracht van de soevereiniteit
aan Indonesië in 1949 bleef
het nog lang onrustig op Java en andere eilanden in de archipel.
Het streven van de centrale regering naar een eenheidsstaat
leidde hier
en daar tot verzet. Ook was er sprake van communistische en
religieuze (islamitische) opstanden.
Allerlei legertjes bedreigden de eenheid van het land. Zo vormde oud-kapitein
R. Westerling op Midden-Java een privé-legertje van 400 man, de APRA.
De afkorting staat voor Angketan Perang Ratu Adil: Legioen van de Rechtvaardige
Vorst.
Westerling wilde voorkomen dat de deelstaat Pasundan op Midden-Java
werd opgeheven. Hiertoe wilde hij met zijn APRA, gesteund door deelstaattroepen,
de centrale regering uitschakelen en de steden Jakarta en Bandung aanvallen.
Eerste luitenant KNIL ML P.E.D. Titaley. (Foto:
MHM)
Bij de APRA van Westerling zaten 125 militairen die waren gedeserteerd
uit het Nederlandse regiment Speciale Troepen. Daar was Westerling commandant
geweest. Onder die deserteurs bevond zich ook een aantal Molukkers.
De contactpersoon tussen Westerling en zijn troepen was ook een Molukker:
eerste luitenant KNIL ML P.E.D. Titaley.
Westerlings coup, op 23 januari 1950, mislukte. Zelf wist hij naar
Europa te ontkomen. Maar veel van zijn soldaten werden opgepakt.
De meeste APRA-militairen kwamen in handen van de nog op Java achtergebleven
Nederlandse troepen. De Nederlandse militaire autoriteiten
besloten
de soldaten zelf te berechten, als deserteurs. Zo bleven zij
uit handen van Indonesië. Ze werden gedetineerd op het eilandje Onrust.
Geïnterneerde APRA-militairen op het eiland Onrust.
(Foto:
Zittend van links naar rechts sergeant J. Leihitu, korporaal
Tetelepta en korporaal E.
Sahuleka; erachter van links naar rechts sergeant J. Ferdinandus,
sergeant Titarsole, eerste luitenant KNIL ML P.E.D. Titaley,
legerdominee A.P.
Hattu en sergeant P. Sinay.
Een Nederlandse krijgsraad veroordeelde de APRA-militairen tot gevangenisstraffen
variërend van zes tot twaalf maanden. Titaley kreeg een straf van een
jaar en acht maanden. Allen werden overgebracht naar Nederlands
Nieuw-Guinea om daar hun straf uit te zitten.
Na afloop van hun gevangenschap (1951-'52) gingen veel voormalige APRA-militairen
vanuit Nieuw-Guinea direct naar Nederland. Ze werden hier uit militaire
dienst ontslagen en kwamen in eerste instantie terecht in het Molukse
opvangkamp Klein Baal in Bemmel.
De opstandige deelstaattroepen, plus acht APRA-mensen die al in handen
van het Indonesische leger waren, verging het slechter. Hen wachtte
in Indonesië een jarenlange opsluiting.
Nog een andere groep Molukse RST-ers kwam naar Nederland, al in 1950.
Zij kwamen samen met andere leden van het Regiment Speciale Troepen
hierheen met het motorschip Georgic. Zij werden tijdelijk opgevangen
in het kamp Prinsenbosch bij Chaam. Een aantal van deze militairen – óók
Molukkers – bleven in het leger en gingen over naar het Korps
Commandotroepen in Roosendaal.
Bron Nationaal arcief
|