
DE ZAAK-AERNOUT
Corruptie, wapensmokkel en moord in Nederlands-Indië
Inleiding
In de jaren 1947-1948 was in het voormalige Nederlands-Indië
een
aantal Nederlandse officieren van het Koninklijk
Nederlands-Indisch
leger (KNIL) en burgerlijke autoriteiten betrokken bij
talrijke
malversaties, waaronder een omvangrijke wapensmokkel naar de
Indo-
nesische nationalisten.
Het behoeft geen betoog dat door toedoen van deze
gewetenloze lieden
tal van Nederlandse militairen zijn gesneuveld.
Ook verscheidene personen - waaronder generaal Spoor - die
betrokken
waren bij het onderzoek (of teveel wisten!) hebben dit niet
overleefd.
Zij werden vergiftigd, doodgeschoten, of zijn 'verongelukt'.
De affaire is later bekend geworden onder de naam 'de
zaak-Aernout',
genoemd naar de in februari 1948 geliquideerde vaandrig Rob
Aernout
die zeer ver gevorderd was met zijn onderzoek.
Naar aanleiding van diverse publicaties in onder andere De
Leidsche
Post en de bezwarende rapporten van de hoofdambtenaar Van
der Putten,
werd op 18 oktober 1950 door minister mr. 's Jacob een
onderzoeks-
commissie ingesteld onder leiding van mr. Zaaijer.
Ten behoeve van de Commissie werd tevens een aantal verhoren
afgenomen
door de Inspecteur-Rijksrechercheur Van Noothoorn.
De uitslag stond echter al bij voorbaat vast: de goede naam
van het KNIL
en een aantal hooggeplaatste figuren mocht onder geen beding
worden ge-
schaad!
Als op 22 juni 1951 de Commissie-Zaaijer met haar
eindrapport komt, zijn
de reacties in de pers dan ook over het algemeen negatief.
Men is van mening dat het rapport in dienst staat van de
grote doofpot,
temeer daar de bijlagen - waaronder de verslagen van de
verhoren - nog
50 jaar zeer geheim zullen blijven. Het meest verontwaardigd
is men
over het feit dat de Commissie de wapensmokkel-affaire
afdoet als een
'petit histoire zonder veel belang'.
De Indonesië-specialist Paul van 't Veer heeft hierover
later in
Het Vrije Volk geschreven: 'De Commissie-Zaaijer heeft een
rapport
opgesteld, dat in zijn eenzijdigheid, oppervlakkigheid,
bevooroor-
deeldheid en onwetendheid alles wat ik ooit op dit gebied
gelezen
heb met stukken slaat.'
Feit is dat de in Nederland teruggekeerde corrupte figuren
nooit terecht
hebben gestaan en in een aantal gevallen zelfs weer in
vooraanstaande
posities zijn benoemd. Ook is nimmer grondig onderzocht wie
er achter
de vele liquidaties zat(en).
In het onderstaande verslag staan de bijzonderheden te lezen
over deze
doofpot-affaire, waarbij gebruik is gemaakt van
inlichtingenrapporten, betrouwbare getuigenverklaringen,
artikelen en de inmiddels vrijgegeven
zeer geheime verhoren door de Commissie-Zaaijer.
Ondergetekende is in augustus 1948 naar Nederlands-Indië
gegaan en in
februari 1956 in Nederland teruggekeerd.
Gerard de Boer
Amstelveen
Dit verslag is bijgewerkt tot en met juli 2006.
Vaandrig Aernout
Vaandrig Aernout was officieel Coördinator Militair Vervoer,
maar deed
daarnaast ook inlichtingenwerk als agent no.15.
Eind 1947 had hij lucht gekregen van smokkelpraktijken in
Banjoemas; met
name via het vliegveld Wirasaba.
Van majoor Brouwer van de Centrale Justitiële Afdeling in
Batavia kreeg
hij een geheime opdracht 'met operationele prioriteit' en
vliegpassage
om een diepgaand onderzoek in te stellen.
Enkele dagen nadat hij hieraan begonnen was, werd hij op 13
december 1947
met vergiftigingsverschijnselen opgenomen in het militair
hospitaal in
Tjimahi.
(Opmerking: In het rapport van de NEFIS-ambtenaar Van Leijen
staat onder
meer te lezen: 'De vaandrig Aernout was kort achter elkaar
op Banjoemas
en Semarang en werd te Banjoemas vergiftigd doch overleefde
deze poging.')
Verhoor door de Commissie-Zaaijer:
Op 22 november 1950 verklaarde majoor Brouwer: "Op 2
december 1947 heb ik
vaandrig Aernout een geheime opdracht gegeven. Na 2 of 3
weken zou vaan-drig Aernout weer met mij contact opnemen voor de
resultaten. Echter, pas
medio februari 1948 kwam hij weer bij mij. Hij was ziek
geworden en ziek gebleven. Vaandrig Aernout was in die tijd
mager geworden en zag er zeer
slecht uit. Hij voelde zich zijn leven niet zeker."
Op 6 december 1950 verklaarde de chef van Brouwer, kolonel
Bakhuijs:
"Vaandrig Aernout werkte veel met majoor Brouwer samen.
Enige dagen vóór
de dood van Aernout zei majoor Brouwer op een keer:
'Kolonel, Aernout is
net geweest; U krijgt de groeten. Hij gaat naar Bandoeng.
Als hij er van-daag of morgen aan gaat, weet u het wel'."
Op 22 februari 1948 versprak Aernout zich in het bijzijn van
derden over
zijn onderzoek naar de malversaties.
Zes dagen later - op 28 februari 1948 - werd hij rond 22.30
uur tijdens
een ontmoeting met luitenant Muller von Czernicki op de
Junghuhnweg in
Lembang door een Indonesische huurmoordenaar doodgeschoten.
Blijkens het rapport G.S. 135 van het Instituut Pasteur te
Bandoeng, dat
op 1 maart 1948 door de patholoog-anatoom dr. Van der Horst
is opgemaakt,
was Aernout door een schot in de linkerhals overleden.
De tas die hij altijd bij zich droeg - nadat zijn bureau
tweemaal was opengebroken - is na de moord zonder de
bezwarende inlichtingenrapporten
over de wapensmokkel en andere grote malversaties aan zijn
weduwe terug-gegeven.
Verhoor door Rijksrechercheur Van Noothoorn:
Op 30 oktober 1950 verklaarde de inlichtingenofficier
Schrijver dat hij
een dag na de moord op Aernout opdracht kreeg zich terstond
naar Muller
von Czernicki te begeven.
Schrijver: "Toen ik bij hem kwam, zei hij: 'Kom je voor de
zaak-Aernout?
Ik zou mij daar maar niet mee bemoeien, want anders ga jij
er ook aan'.
Majoor Strausz heeft mij eens verteld dat Muller von
Czernicki ook hem
heeft gewaarschuwd om zich niet met deze zaak in te laten."
Verhoor door de Commissie-Zaaijer:
Op 21 december 1950 verklaarde mevrouw Aernout-Royaards: "Ik
vermoed
dat mijn man iets zeer ernstigs geweten moet hebben. Ik
vermoed dat het wapensmokkel betreft. Een dag vóór zijn dood
vertelde hij mij: 'Ik ben
nu achter een vuil zaakje gekomen, waar een hele hoge piet
in betrokken
is'. De naam durfde hij niet te noemen."
Op 19 februari 1951 verklaarde kapitein-KST Van der Zeep dat
kapitein
Westerling van mening was dat luitenant Muller von Czernicki
achter de
moord op Aernout zat, doch dat hij weer gedekt werd door
anderen.
Van der Zeep: "Westerling vertelde mij dat het gevaarlijk
was om te
zeggen wie deze anderen waren."
Overste Terluin
Achttien dagen vóór de moord op vaandrig Aernout was de
luchtmacht-
commandant Java, overste Terluin, al om het leven gekomen
bij een
nooit opgehelderd vliegtuigongeluk.
Hij had bewijzen in handen gekregen dat in opdracht van hoge
officieren
goederen werden gesmokkeld via de vliegvelden Wirasaba en
Andir.
Aangezien de vliegtuigen afgeladen waren met smokkelwaar,
moesten vaak
zwaar gewonde Nederlandse militairen op de vliegvelden
achterblijven.
Op 10 februari 1948 vertrok Terluin met een tas vol
documenten naar
Batavia om op het Hoofdkwartier de zaak onder de aandacht te
brengen,
maar 10 minuten na de start van het vliegveld Andir stortte
de Dakota
947 bij Padalarang in een ravijn.
Hierbij kwamen 19 personen (4 NIWIN-artiesten en 15
militairen) om het
leven, waaronder Terluin.
(Opmerking: De NIWIN-artiesten waren: Johan Gütlich
(cellist), Rudolf
Broer van Dijk (violist), Elisabeth Evers (pianiste) en
Francien Gerese (voordrachtskunstenares). Het ensemble
keerde terug van zijn laatste
concert te Banjoemas en zou via Batavia naar Nederland
vertrekken.)
Verhoor door Rijksrechercheur Van Noothoorn:
Op 2 oktober 1950 verklaarde de inlichtingenofficier
Schrijver, die
bij de berging van de Dakota aanwezig is geweest, dat de bij
het
lichaam van Terluin gevonden tas met documenten in beslag is
genomen
door kapitein Gooren.
De tas is daarna door luitenant Muller von Czernicki
opgestuurd naar
majoor Strausz van het Hoofdkwartier Militaire Luchtvaart in
Batavia,
maar daar aangekomen bleken de originele documenten niet
meer in de tas
te zitten.
Vlak voor de dood van Terluin had de Officier-Commissaris
bij de Krijgs-
raad in zijn rapport geschreven:
'Toen ik enige maanden werkzaam was, begon ik inlichtingen
te ontvangen
die onder meer betrekking hadden op smokkelpraktijken via de
vliegvelden Wirasaba bij Banjoemas en Andir bij Bandoeng.'
Bij dit rapport is een afzonderlijke verklaring gevoegd van
de nieuw
benoemde commandant van Wirasaba, Hoogeveen, die daarin
schrijft:
'Al spoedig na mijn benoeming merkte ik dat er misstanden
waren, want
gewonden bleven staan; smokkelwaar werd meegenomen.'
Volgens de opperwachtmeester Andela moest op zekere dag een
aantal zwaar-
gewonde militairen van Wirasaba moest worden overgevlogen
naar Batavia,
maar dat de twee beschikbare vliegtuigen kort daarvoor waren
vertrokken. Afgeladen met smokkelwaar.
Ook via de vliegbasis Tjililitan werd er gesmokkeld.
Verhoor door Rijksrechercheur Van Noothoorn:
Op 19 december 1950 verklaarde luitenant Berg: 'De
Inspecteur van de
Algemene Politie te Batavia, Swart, heeft mij ongeveer een
maand geleden verteld, dat hij een gedeelte van een
onderzoek betreffende een handel
in wapenen, afkomstig van de vliegbasis Tjililitan, heeft
geleid. Uit
dit onderzoek was hem gebleken, dat er een complot bestond
tot het
verhandelen van vuurwapenen, afkomstig van de Militaire
Luchtvaart,
aan een Indonesisch officier.'
Kapitein Westerling
Eind maart 1948 kreeg kapitein Westerling van generaal Spoor
de opdracht
een onderzoek in te stellen naar de moord op Aernout en
alles wat er mee
in verband hield.
Hij trok zich tijdelijk terug in zijn huis in Tjililin en
formeerde een
staf die hem bij het onderzoek moest bijstaan.
Als deskundigen op het gebied van civiele en militaire
wetten werden aan
zijn staf toegevoegd de Officier van Justitie bij het parket
van Batavia,
mr. Beer en sergeant Hendrik van de Justitiële Afdeling 2MPI
van het de-
tachement Bandoeng.
Mr. Donselaar en mr. Burlage traden op als raadslieden. De
secretaresse
van generaal Engles nam de taak op zich als stenotypiste.
Op 20 april 1948 werd sergeant Roose van de
veiligheidsdienst-LTD verhoord,
die onder meer het volgende verklaarde:
"Op 22 juni 1947 kwam ik bij Borgman aan de Poetrilaan 8 [Bandoeng]
en
wees hij me op perceel Poetrilaan 15. Al enige maanden
stopte daar tussen
de 4 en 6 militaire vrachtauto's en dan werden er kisten
afgeladen en in
het perceel binnengedragen. Hiervan is mededeling gedaan aan
de Commandant
van Politie en een huiszoeking werd verricht. Borgman zei
dat in het huis
een Indonesisch officier en vuurwapens werden aangetroffen.
Op het moment
dat de huiszoeking werd verricht, kwam daar een Betja-rijder
en deze had
een briefje bij zich, waarin stond: 'Vergeet mij niet; zend
mij lange
kousen en sokken'. Borgman vroeg: 'Wat zou dat zijn?' en
toen zei ik:
'Ze bedoelen geweren en munitie'."
Gedurende zijn onderzoek heeft Westerling een aantal
personen in hechtenis
genomen, waaronder kapitein Luyke Roskott, luitenant Muller
von Czernicki,
Perre (LTD) en Soesman (LTD). Zij moesten echter later op
nadrukkelijk
bevel van de legerleiding weer worden vrijgelaten!
Op 25 augustus 1948 kreeg Westerling van hogerhand opdracht
onmiddellijk
zijn onderzoek te staken en alle stukken af te geven aan mr.
Haye, de
Auditeur-Militair bij de Krijgsraad te Velde te Bandoeng.
Mr. Haye
Op 9 november 1949 overleed mr. Haye op 49-jarige leeftijd
na te zijn vergiftigd. Kort voor zijn dood had hij nog
geschreven:
'Dit is een heel vies zaakje. Er zijn genoeg bewijzen om te
verklaren
dat hier sprake is van moord om het aandeel van
verschillende officieren
in een omvangrijke wapensmokkel verdoezelen.'
Op vrijdag 11 november 1949 werd mr. Haye begraven op het
Pandoe-kerkhof
te Bandoeng.
In de grafrede werd nog eens benadrukt dat hij het
slachtoffer van zijn
plicht was geworden.
Verhoor door de Commissie-Zaaijer:
De hoofdredacteur van De Leidsche Post, Lina, heeft op 4
januari 1951
de Commissie nog gewezen op de mysterieuze dood van mr. Haye
toen deze
de zaak in behandeling had. Op de mededeling van mr. Zaaijer
dat Haye
aan een angina pectoris was overleden, antwoordde Lina: "Uit
het visum
repertum blijkt een geheel andere doodsoorzaak. Ik zal
hiervan een kopie
aan de Commissie doen toekomen."
Pah Satoe
In verband met de moord op vaandrig Aernout werd pas in juni
1949 een
aantal Indonesiërs gearresteerd, waaronder Pah Satoe. In het
rapport
van politie-inspecteur Krijger staat te lezen: 'In begin
1948 kreeg
Pah Satoe te Segahalerang bezoek van twee KNIL-militairen -
althans
in militair uniform gestoken personen. Hem werd gevraagd zo
spoedig
mogelijk in kampong Genteng een aldaar verblijvende militair
te
liquideren. De woning van deze militair lag aan de rand van
de kampong.
Tegen betaling van 100 roepia's moest het karwei snel
geklaard worden.
Of het nu ging om Muller of Aernout werd niet duidelijk. De
datum werd
om en nabij 28 februari 1948 vastgesteld en bij
onderhandeling genoemd.
Habis boelan. De KNIL-militairen waren niet blank, eerder
donker van
huidskleur en niet bekend bij de verdachte. Het geld was wel
betaald.'
Wapensmokkel en malversaties
Er waren destijds al sterke aanwijzingen dat de
opdrachtgever(s) van
de liquidaties gezocht moest(en) worden onder een aantal
hoge Neder-
landse KNIL-officieren en burgerlijke autoriteiten, die
onder meer
betrokken waren bij een grootschalige wapensmokkel,
waaronder de
levering van 7000 Lee-Enfieldgeweren aan de Indonesische
nationalisten
en talrijke andere grote malversaties.
Verhoor door de Commissie-Zaaijer:
Op 14 november 1950 verklaarde kolonel Huijsmans: "We wisten
dat er
tussen de boot en het magazijn veertig procent van de boel
verdween."
De naar de Indonesiërs gesmokkelde wapens werden betaald met
de opbrengst
van opium.
In 1945 stond er namelijk een opiumfabriek in Batavia,
waarvan nog vóór
de komst van de Nederlandse troepen het grootste deel van de
opium al
was overgebracht naar Midden-Java.
Met de Catalina-vliegboot RI-005 - gevlogen door de
voormalige Britse oorlogsvlieger Ralph Cobley - werd de
opium van Djokja naar een klein
eiland voor de kust van Maleisië getransporteerd.
Daar werd de verpakte opium overgeladen in een Chinese
motorboot, met
bestemming Singapore.
Met deze lucratieve handel werd onder meer de bewapening en
uitrusting
van de Indonesische Siliwangi-divisie gefinancierd.
In een vraaggesprek met het dagblad Trouw (9 maart 1951)
heeft admiraal
Pinke toegegeven dat de Koninklijke Marine weinig tegen de
wapensmokkel
kon doen.
Admiraal Pinke: "Ondanks het voortdurende contact van de
Koninklijke
Marine met het leger in Indonesië en ondanks mijn
voortdurende verzoeken
om inlichtingen over de wapensmokkel, heeft men mij nooit
officieel de
toedracht medegedeeld. Alleen dankzij geruchten was ik in
die tijd als commandant van de Zeemacht op de hoogte van
wapensmokkel op West-Java,
doch meer ook niet."
In een rapport van 27 april 1948 worden de volgende, bij de
malversaties betrokken, KNIL-officieren en burgers van de
Legertechnische Dienst (LTD) genoemd:
Generaal Mojet, kolonel Ente van Gils, overste Kooistra,
kapitein Gooren, kapitein Luyke Roskott en de ambtenaren
Cijfer, Perre en Soesman.
Over hen staat onder meer te lezen: 'Met deze groep valt
niet te spotten.
Zodra iemand zich tegen hun corruptie verzet, legt hij het
loodje. Vaan-
drig Aernout is, omdat hij heel al wat te weten gekomen was,
daarvoor op
Lembang doodgeschoten door handlangers van deze groep'.
Over de genoemde kapitein Luyke Roskott heeft een lid van de
Centrale
Justitiële Afdeling in Batavia later aangetekend: 'Naast
zijn huwelijk
heeft hij een relatie heeft met een Soendanese vrouw,
genaamd Doen, die
bekend staat om haar grote kennis van Indische vergiften.'
Toen begin jaren '60 met een serie artikelen in De Telegraaf
de
zaak weer in het nieuws kwam, heeft kapitein Westerling (die
in 1948
betrokken is geweest bij het onderzoek) op 27 november 1961
aan de
toenmalige minister van Defensie Visser geschreven:
'Inderdaad heeft
het door mij, destijds op verzoek van wijlen generaal Spoor,
ingesteld
onderzoek uitgewezen dat door enkele, hetzij afzonderlijk
opererende
kleine groepen officieren, onderofficieren en in of buiten
militaire
inrichtingen werkzaam zijnde burgers, ernstige misdrijven
zijn gepleegd.'
Verhoor door de Commissie-Zaaijer:
Op 13 februari 1951 verklaarde luitenant-KST Ulrici dat
Westerling
al in 1948 tegen hem had gezegd: "Deze zaak is zo rot en
corrupt; er
zitten zoveel officieren en hoofdofficieren in, en de zaak
is zo door-
gevoerd; wapensmokkel en narcotica; generaals en de hele
bliksemse boel
zit er in. En zij zullen niet terugdeinzen voor de
ernstigste middelen."
Generaal Spoor
Gezien de ernst van de situatie is generaal Spoor op 14 juli
1948 naar
Bandoeng gegaan voor een vergadering met kapitein Westerling
en enkele
leden van de Bond van Burgerpersoneel in Militaire
Inrichtingen (BBM).
Met name de BBM-leden werden door hoge officieren bedreigd
met repre-
sailles vanwege hun bemoeienissen met het onderzoek naar de
malversaties
bij de Legertechnische Dienst en de moord op vaandrig
Aernout.
Bij deze vergadering waren aanwezig: generaal Spoor,
kapitein Westerling
en de BBM-leden Hendriks, Mylanus, Van der Putten en Van den
Berg.
Hieronder volgt het volledige verslag van deze vergadering:
'Na kennismaking legt de delegatie van de Bond van
Burgerpersoneel in
Militaire Inrichtingen nogmaals de nadruk op het feit, dat
het niet
de bedoeling is schandaal en sensatie te verwekken, doch
slechts om
verbetering in de bestaande toestanden en bestraffing van de
schuldige
militaire autoriteiten te verkrijgen.
Generaal Spoor: "Hiervan ben ik ten volle overtuigd. Heren,
voordat wij
beginnen, moet ik U mijn excuses aanbieden, Uw vereniging
heeft mij
enkele weken geleden een protesttelegram gezonden tegen de
ontoelaatbare uitlatingen van de Basiscommandant van
Bandoeng, de Overste Kooistra.
De Kapitein Westerling bevestigde mij reeds, dat de Overste
Kooistra,
op een bijeenkomst door Westerling namens mij belegd, enige
Uwer met represailles dreigde, naar aanleiding van Uwe
medewerking aan het op
mijn last ingestelde onderzoek in de
Legertechnischedienst-affaire, de
moord op de Vaandrig Aernout en de verdere reeks van
malversaties bij
de Kwartiermeester Generaal. Dit telegram is door een hoge
Legertech-
nischedienst-autoriteit te Batavia echter onderschept en
zodoende was
ik tot op enkele dagen geleden, onkundig van de inhoud. Ik
moet U echter
mijn excuses aanbieden, dat ik, hoewel buiten mijn schuld,
Uwe vereniging
niet heb kunnen antwoorden. Tegen degene, die het betrokken
telegram heeft onderschept, zal ik intussen de geëigende
maatregelen nemen."
De delegatie deelt daarop de Generaal Spoor mede geen reden
te zien dat
hier excuses gemaakt dienen te worden en dankt de Generaal
Spoor voor
zijn eerlijke en openhartige uiteenzetting.
Generaal Spoor: "Dan zullen wij nu terzake komen. Kapitein
Westerling
heeft op mijn last een diepgaand onderzoek ingesteld naar de
moord op
de Vaandrig Aernout en daarmede verbandhoudende malversaties
bij de Kwartiermeester Generaal, in het bijzonder bij de
Legertechnische Dienst
onder de Kolonel Kroese. De feiten die het onderzoek heeft
opgeleverd
zijn bijzonder ernstig. De door Uwe vereniging verstrekte
feiten en
gegevens zijn helaas volkomen juist gebleken. Ik moet echter
opmerken dat
de ernstige feiten niet alleen door officieren zijn
gepleegd, doch ook
door burgerlijke autoriteiten, waarbij wel contact bestond
tussen beide categorieën. Ik wijs U in dit verband op de
zaak van de steekpenningen
ten bedrage van f.30.000 die de Resident Klaassen en de
Commissaris van
Politie Dahmen hebben opgestreken, de kwestie Oosterbaan met
de L.A.D.,
enz. De laatste zaken liggen echter niet op mijn terrein,
doch op dat
van de Officier van Justitie. De feiten, die het onderzoek
heeft opge-
leverd heb ik reeds aan Mr. Haye, de Auditeur-Militair bij
de Krijgsraad
te Velde doorgegeven. Indien ik echter de vereiste
maatregelen op dit
ogenblik zonder aanzien des persoons moet uitvoeren, zou ik
daardoor
bijna 40% van mijn officierscorps voor de Krijgsraad moeten
brengen.
U kent de huidige politieke situatie en zult zelf moeten
erkennen, dat
dit thans onmogelijk is. U heeft getoond in de eerste plaats
goede
Nederlanders te zijn en daarom aarzel ik niet een beroep op
U te doen.
Ik ben van plan de vereiste zuiveringsmaatregelen
geleidelijk uit te
voeren en te beginnen met de huidige Kwartiermeester
Generaal [Mojet]
zo spoedig als onder de huidige omstandigheden mogelijk is,
van zijn
functie te ontheffen en bij mij aan de tafel te zetten. De
verdere
maatregelen volgen geleidelijk. Ik ben er van overtuigd dat
U hiermee
accoord kunt gaan."
De delegatie betuigt nogmaals aan de Generaal Spoor haar
dank voor de ruiterlijke erkenning van de feiten en
verzekert de Generaal, dat
steeds op de onvoorwaardelijke medewerking van het
Hoofdbestuur en de
leden van de Bond van Burgerpersoneel in Militaire
Inrichtingen ge-
rekend kan worden.
Tevens verklaart de delegatie zich volkomen accoord met de
wijze waarop
Generaal Spoor toezegt de ernstige affaires tot een
oplossing te brengen.
Generaal Spoor: "Heren, ik heb steeds geweten dat ik onder
alle omstandig-heden op U kon rekenen en had dan ook niets anders
verwacht."
De delegatie brengt de Generaal Spoor daarna onder het oog,
dat er, naar
de feiten aantonen, grote kans bestaat, dat de schuldige
militaire auto-
riteiten represailles tegen enkele Hoofdbestuursleden zullen
nemen en wel
in het bijzonder tegen het Hoofdbestuurslid, dat werkzaam is
bij de Leger-technische Dienst.
Dit Hoofdbestuurslid is wel uiterst kwetsbaar, daar de
Kolonel Kroese zijn hoogste Chef van dienst is.
Generaal Spoor: "Ik geef U mijn woord als officier en
Legercommandant, dat
ik zal zorgdragen, dat de schuldige militaire autoriteiten
nimmer tegen U represailles kunnen nemen. Is dat voldoende?"
De delegatie: "Uw woord is voor ons voldoende Generaal."
Generaal Spoor: "Om terug te komen op de Legertechnische
Dienst.
Ik ken toevallig de Kolonel Kroese, Frans, van dichtbij en
hoewel de door
Kapitein Westerling bijeengebrachte bewijzen zijn schuld
aantonen, kan
ik nog bijna niet geloven, dat Frans Kroese opzettelijk om
zich te bevoor-
delen zich met deze ernstige malversaties heeft ingelaten.
Frans Kroese
is echter dom en altijd dom geweest. Ik zal U een voorbeeld
geven zoals
ik het zie. Als de Kolonel Kroese aan U, technici, een
defecte auto zou
tonen en vragen hoe lang U er voor nodig heeft dit voertuig
te repareren,
zou U, na een grondig onderzoek, een termijn noemen b.v.
tien dagen. Als
de Kolonel Kroese hetzelfde zou vragen aan Luyke Roskott,
dan zou deze
direct zeggen: 'Hoogstens een dag. Morgen staat de wagen
gerepareerd bij
U voor deur'. En inderdaad zou de volgende dag de wagen bij
de Kolonel
Kroese voor de deur staan, doch Frans zou niet zien dat dit
niet dezelfde
wagen is, doch een andere wagen door Luyke Roskott ergens
gestolen. En
hiermee doet Luyke Roskott zijn voordeel. Wat de benoeming
van Soesman
betreft tot bedrijfsadviseur bij de Legertechnische Dienst,
deze man
is landbouwkundig ingenieur van Wageningen. Het is mij
onbegrijpelijk
waarom Kolonel Kroese dit heeft gedaan. Deze heer Soesman
moet zich beter
met plantjes bemoeien, maar in geen geval met een
Legertechnische Dienst.
Enfin, Heren, ik hoop dat door dit onderhoud Uw vertrouwen
is terugge-
keerd. Ik behoef U er niet op te wijzen, dat U dit onderhoud
als uiterst vertrouwelijk dient te beschouwen. Kapitein
Westerling is in deze ernstige affaires mijn volkomen
vertrouwde en U kunt met hem alles bespreken alsof
U met mij spreekt. Mocht het dringend nodig zijn dat U mij
persoonlijk
spreekt, dan weet U, dat ik elke maand minstens een dag op
Bandoeng ben
en U kunt mij in dat geval rechtstreeks te Batavia opbellen.
Ik zal U dan de eerstvolgende keer op Bandoeng voor een
nadere bespreking ontvangen."
Generaal Spoor tot de Kapitein Westerling: "Je hebt het
gehoord, Wester-
ling. Je hebt mijn onbeperkte volmacht en je gaat
onverbiddelijk door."
Na de Generaal Spoor haar diepe erkentelijkheid te hebben
betuigd neemt
de delegatie afscheid.
Bandoeng, 22 juli 1948.
Het Hoofdbestuur van de Bond van
Burgerpersoneel in Militaire Inrichtingen.
w.g. Van den Berg, secretaris.
(Opmerking: De 48-jarige secretaris Van den Berg is op 2
december 1948 overleden. Hij werd vergiftigd.)
De dood van generaal Spoor
Op 20 mei 1949 werd ook generaal Spoor slachtoffer van een
vergiftiging
tijdens de lunch in het restaurant van de Jachtclub in
Tandjong Priok.
Ten gevolge hiervan kreeg hij op maandag 23 mei 1949 om
circa 9.00 uur
ernstige hartklachten, waaraan hij op woensdag 25 mei 1949
om 12.15 uur
op 47-jarige leeftijd is overleden.
De disgenoten van de generaal - ritmeester Smulders en de
hoofdaalmoezenier Verhoeven - zijn na de lunch eveneens ziek geworden.
Smulders heeft
vier dagen in coma gelegen, en Verhoeven is later met het
troepenschip
'Grote Beer' naar Nederland geëvacueerd voor verdere
behandeling.
(Opmerking: Aangezien de overige gasten van de Jachtclub -
die exact
hetzelfde hadden gegeten - achteraf niets bleken te mankeren
werd een voedselvergiftiging uitgesloten.)
Een oud-officier van het Hoofdkwartier in Batavia heeft
later verklaard
dat de militaire autoriteiten de vergiftiging destijds
bewust hebben
verzwegen, omdat men bevreesd was dat het toch al dalende
moreel van de
troepen hierdoor nog verder zou worden aangetast.
Bovendien heeft generaal-majoor dr. Simons, het hoofd van de
Militair
Geneeskundige Dienst, het niet nodig gevonden om sectie op
het lichaam
van generaal Spoor te verrichten, terwijl het hem bekend was
dat diens
adjudant Smulders nog met vergiftigingsverschijnselen (en in
coma!) in
het hospitaal lag. Overigens zijn alle medische rapporten
rond de ziekte
en de dood van generaal Spoor niet in de archieven bewaard
gebleven.
(Opmerking: Op 27 augustus 2003 heeft Smulders tegenover
ondergetekende
bevestigd, dat de vergiftiging van generaal Spoor bewust is
verzwegen
en dat alles rond de dood van de generaal is 'weggemoffeld'.
Smulders was er tevens van overtuigd dat de dood van
generaal Spoor te
maken had met de zaak-Aernout en paste in de reeks van
verdachte sterf-
gevallen.)
De Legerkoerier schreef later: 'In mei 1949 overleed
generaal Spoor
plotseling. 'Een hartaanval', luidde de officiële
verklaring.
'Vermoord door Nederlanders', volgens Westerling, en hij
niet alleen.
De ritmeester-adjudant Smulders van generaal Spoor werd na
het bewuste
etentje eveneens ernstig ziek en heeft in coma gelegen. Toen
hij na een
maand uit het ziekenhuis kwam, werd hij onmiddellijk
teruggestuurd naar Nederland.'
In 1952 schreef kapitein Westerling in zijn memoires: 'De
dramatische verwijdering van een der belangrijkste spelers
van het Indonesisch toneel, geschiedde zo abrupt en op een
zo vreemde wijze, dat vele stafofficieren
van het KNIL de mening waren toegedaan, dat de generaal
vergiftigd was.'
Westerling was er van overtuigd dat ook generaal Spoor in
opdracht
van de corrupte KNIL-officieren is vergiftigd 'aangezien zij
belang
hadden bij zijn dood, omdat de generaal, waar mogelijk, de
wijdverbreide
corruptie in het leger wilde aanpakken'.
Verscheidene officieren die op zaterdag 21 mei en zondag 22
mei 1949 nog
met generaal Spoor hadden gesproken, waaronder overste Van
Lier, hebben
later verklaard dat de generaal zich die dagen erg beroerd
voelde.
Het is overigens de vraag of men generaal Spoor bewust heeft
willen
vermoorden, aangezien Smulders en Verhoeven na die fatale
lunch ook
niet zijn overleden. Vermoedelijk heeft men hem alleen maar
ernstig
ziek willen maken, zodat hij naar Nederland geëvacueerd zou
worden.
Feit is dat er nogal wat militaire en politieke figuren
waren die er
alle belang bij hadden dat de generaal van het Indische
toneel verdween.
Blijkbaar was men niet op de hoogte dat generaal Spoor op
één nier leefde,
zodat het gif niet goed uit zijn bloed gezuiverd kon worden.
(Opmerkingen: Het feit dat generaal Spoor maar één nier had,
staat ook
te lezen in een brief d.d. 30 mei 1949 van de Hoge
Vertegenwoordiger
van de Kroon dr. Beel aan de fractievoorzitter van de KVP
prof. Romme.
Mevrouw Spoor-Dijkema, die ten tijde van het drama in
Nederland vertoefde,
heeft altijd tegengesproken dat haar man is vergiftigd.
Nadat ze kort na
zijn overlijden in Indonesië was teruggekeerd, heeft dr.
Simons haar dus blijkbaar alleen ingelicht over de periode
23 mei-25 mei, maar gezwegen
over de fatale lunch op 20 mei. Ook moet betwijfeld worden
of Simons haar
wel de laatste medische rapporten van haar man heeft laten
zien.
Vermoedelijk waren die in opdracht van hogerhand - of door
Simons zelf -reeds vernietigd!)
Hoofdredacteur Houbolt
Eén van de personen die door intensieve naspeuringen veel
bezwarend
materiaal over de malversaties en de mysterieuze doden in
handen had
gekregen, was Jaap Houbolt, de hoofdredacteur van het
Bataviaasch
Nieuwsblad.
Nadat hij had bemerkt dat de corrupte figuren de hand boven
het hoofd
werd gehouden, schreef hij op 30 juli 1949 in zijn krant:
'Wie nu meent dat de schuldigen, nadat de bewijzen verkregen
waren,
terstond uit hun ambt ontslagen zouden zijn, vergist zich.
Integendeel,
sommigen kregen promotie.'
Op 11 augustus 1949 publiceerde Houbolt de namen van de
corrupte KNIL-officieren en ambtenaren, zoals vermeld in het rapport van
27 april 1948,
maar nadat hij kort daarna met de dood was bedreigd besloot
hij verder
in zijn krant te zwijgen.
Op 26 augustus 1950 boekte hij passage op een vliegtuig naar
Nederland
om daar zijn goed gedocumenteerde dossier over de
malversaties en liqui-
daties aan de regering voor te leggen, maar de avond voor
zijn vertrek
overleed de 55-jarige Houbolt om 22.00 uur in Pesing na te
zijn vergif-
tigd. Zijn dossier was verdwenen.
Op 28 september 1950 schreef De Waarheid:
'Voor zijn dood vertoonde hij dezelfde
vergiftigingsverschijnselen, welke
ook geconstateerd waren bij anderen, die voor en na de dood
van Aernout plotseling stierven. Onze lezers zullen zich
herinneren, dat generaal
Spoor al zeer plotseling overleed. Als oorzaak werd een
hartaanval genoemd, ofschoon niemand in zijn omgeving ooit
gemerkt had, dat wijlen generaal
Spoor last van een zwak hart had.'
En De Leidsche Post schreef op 29 september 1950:
'De onlangs overleden heer Houbolt, durfde in het
Bataviaasch Nieuwsblad
de grote trom te roeren en publiceerde een artikel dat voor
sommige offi-
cieren zeer bezwarend was. De onder verdachte omstandigheden
overleden
Houbolt deelde het lot van vele anderen, die evenals hij, de
knuppel in
het hoederhok gooiden.'
Generaal Mojet
Na de dood van Houbolt heeft zijn broer in een brief
geschreven:
'Kort voor zijn voorgenomen vertrek naar Nederland is
generaal Mojet
bij hem geweest, of heeft iemand gestuurd, om te trachten
hem over te
halen een stuk te tekenen, waarbij hij zich verbond van
enigerlei
actie af te zien. Dit heeft Jaap geweigerd.'
In zijn artikel van 11 augustus 1949 had Houbolt generaal
Mojet nog
genoemd als één van de bij de malversaties betrokken
officieren.
Mede op bevel van deze generaal moest men kapitein Luyke
Roskott
vrijlaten, die op 12 mei 1948 te Semarang was gearresteerd
wegens het
leveren van wapens en voertuigen aan het Indonesische leger.
De kapitein zat toen gevangen in de KST-kazerne te
Batoedjadjar en
werd daar nog ondervraagd door kapitein Westerling en majoor
Brouwer
van de Centrale Justitiële Afdeling.
Verhoor door de Commissie-Zaaijer:
Op 28 december 1950 verklaarde generaal Mojet dat kapitein
Luyke Roskott
op bevel van generaal Spoor moest worden vrijgelaten.
Volgens Mojet heeft de legercommandant tegen hem gezegd:
"Dit is op mijn
last, doch ik wens niet dat mijn naam hierbij genoemd
wordt."
Overigens was het indertijd bij generaal Spoor bekend dat
generaal Mojet
de onder zijn bevel gestelde corrupte officieren de hand
boven het hoofd
hield.
Tijdens de vergadering op 14 juli 1948 in Bandoeng had hij
al benadrukt
dat hij, zodra de omstandigheden het toelieten, van plan was
om generaal
Mojet van zijn functie te ontheffen.
Verhoor door de Commissie-Zaaijer:
Op 22 november 1950 verklaarde majoor Brouwer: "Generaal
Mojet was géén krachtfiguur. Ik heb nooit ook maar één
poging gezien om een eind aan de malversaties te maken. Er
is drieërlei verklaring voor: generaal Mojet
was ofwel een sukkel of een schurk, ofwel de kleine schurken
konden niet
worden gemist en hij moest het wel toelaten om de zaken te
laten marcheren."
Op 28 november 1961 heeft luitenant-KST Ulrici in een brief
geschreven:
'Over de misstanden bij de kwartiermeester-generaal [Mojet]
kan ik het
volgende definitief naar voren brengen:
Dat generaal Spoor tegen Westerling en mij, tijdens een
bezoek dat wij
hem brachten, liet uitkomen dat er een grote zwendel en
chaos alsmede
corruptie plaats vond op de dienst kwartiermeester-generaal.
Tevens verzocht hij Westerling een onderzoek alsmede een
rapport op te
stellen in samenwerking met de heer Van der Putten, die
zoals hij mede-
deelde volkomen op de hoogte was van het lek. Wij hadden
namelijk bij
acties grote voorraden munitie en wapens buitgemaakt die nog
waren
verpakt in de originele verpakking met de codenummers en al,
zoals
wij die normaal van onze eigen wapendepots in ontvangst
namen.
Later vertelde Westerling mij, dat men op het spoor was van
een grote wapensmokkel, gepleegd door officieren en dat het
hier ging om een
bedrag van 40 miljoen gulden [sic!].
Ik kan volkomen instaan voor de hierboven door mij naar
voren gebrachte
feiten.
Hoewel ik het niet gaarne naar voren breng, mag ik toch in
ieder geval verwachten dat men de woorden van een ridder
M.W.O. niet in twijfel
trekt.'
'Poncke' Princen
Een onbekend aantal Nederlandse officieren stond ook in
contact met
de guerrilla's van de deserteur Jan 'Poncke' Princen.
Volgens Ulrici, die op 9 augustus 1949 met zijn speciale
eenheid
'Eric' het kamp van Princen in de desa Tjilutung-Gerang had
overvallen, beschikte hij over kisten Nederlandse munitie.
Tijdens deze actie kreeg Ulrici het dagboek van Princen in
handen.
Ulrici: "Die man wist alles. Over de sterkte van stoottroep
'Eric',
onze uitrusting, onze bewegingen. Er stonden ook namen in
van Neder-
landse officieren die met hem collaboreerden.
Er zat een brief in van een Nederlandse kapitein. Die
smeekte hem
niets te doen als hij gevangen genomen werd, want hij had
vrouw en
kinderen. Princen moest maar zeggen wat hij nodig had en dan
zou
die officier daarvoor zorgen.
Het dagboek is door mij afgegeven aan generaal Engles. Die
heeft het
weer doorgegeven aan de inlichtingendienst. En vanaf dat
moment is
het foetsie.
Het kan bijna niet anders of Princen moet ook daar zijn
vriendjes
hebben gehad."
Hilman en Van Mook
Het was bij de inlichtingendienst NEFIS bekend dat ook de
gouverneur
van Batavia, Hilman Djajadiningrat, betrokken was bij de
wapensmokkel.
Aangezien hij voor de Nederlandse autoriteiten een
belangrijke federale
voorman was bij de vorming van de deelstaat Pasoendan mocht
hij absoluut
niet in opspraak worden gebracht!
Hierover heeft de NEFIS-ambtenaar Van Leijen later, op 5
november 1950,
in een vertrouwelijk rapport geschreven:
'Enige tijd vóór de Eerste Politionele Actie (Juli 1947)
kwam van het
Kabinet van de Regering [Van Mook] een zeer geheime
instructie binnen,
waarin werd voorgeschreven om Hilman ten koste van alles te
behouden
voor het uitgestippelde Nederlandse politieke beleid en de
geplande
opbouw van een Federale Regering.
Gedurende mijn diensttijd bij het territoriaal tevens
troepencommando
West-Java gebeurde het dat in Zuid-Preanger grote
hoeveelheden wapens
werden gesmokkeld, waarmede hinderlijke verliezen werden
toegebracht
aan de rond en zuidelijk van Soekaboemi gelegerde eigen
troepen.
Aangezien men niet te weten kon komen wie achter deze
smokkelaffaire
zat, werd mij opdracht gegeven hiernaar een onderzoek in te
stellen.
Het gelukte mij te Soekaboemi bij een Chinees beslag te
leggen op
de gehele administratie van deze wapensmokkel, waaruit bleek
dat de
toenmalige gouverneur van het federale district Batavia,
Raden Hilman Djajadiningrat, de auctor intellectualis
hiervan was.'
Verhoor door de Commissie-Zaaijer:
Op 23 januari 1951 verklaarde Van Leijen: "Het is mijn
nekslag geweest
dat deze man [Hilman] onder de zeer bijzondere bescherming
stond van het
Kabinet van de luitenant-gouverneur-generaal [Van Mook]."
(Opmerking: Vanwege hogere politieke belangen - en ten koste
van de
levens van Nederlandse militairen - werd hier dus het
smokkelen van
wapens naar de vijand door de vingers gezien!)
Overigens komt de naam van Van Mook in verscheidene
rapporten - die pas
in 2001 zijn vrijgegeven - nogal negatief naar voren.
Zo heeft de inlichtingenofficier Van Beckhoven op 20 juni
1948 in zijn
rapport geschreven dat Van Mook in contact stond met de TNI
(het Indo-
nesische leger) via zijn zuster in Bandoeng.
Verhoor door de Commissie-Zaaijer:
Op 28 december 1950 verklaarde generaal Mojet: "Na de moord
op Aernout
vernam ik dat generaal Spoor een onderzoek gelast had. Ik
heb mij hierop
tot de legercommandant gewend met de vraag waarom deze dit
niet overliet
aan de KMG [Mojet].
Generaal Spoor antwoordde hierop: 'Hier blijf jij buiten. Ik
weet, je
hebt er niets mee te maken, maar hier zitten allerlei andere
affaires
aan vast, die zeer hoog gaan'.
De generaal heeft hierop enkele namen genoemd en tegen mij
gezegd: 'Ik
verbied je om je hierin te mengen'.
Hij vervolgde toen: 'Later zal ik je meer vertellen; hier
zitten meer
kwesties aan vast. Zeg ook tegen Kroese [LTD] dat hij daar
volkomen
buiten blijft. Ik heb dit onderzoek gelast en daar heb ik
mijn reden
voor'."
Op de vraag van de voorzitter mr. Zaaijer om een nadere
precisering van
hetgeen de legercommandant hier precies achter zocht,
antwoordde Mojet
dat generaal Spoor in dit verband de namen noemde van Van
Mook, Van
Hoogstraten, generaal De Waal en generaal Meijer.
Mojet: "Ik voel mij verantwoord in deze kring deze namen te
noemen, daar
ik rekening houd met de mogelijkheid dat mijn naam - die
thans beklad
wordt - als dekmantel gebruikt wordt door anderen."
Op 4 januari 1951 verklaarde de chef van het Kabinet van
generaal Spoor,
overste Van Lier: "Generaal Spoor wist dat er geknoeid werd,
zo o.a. door generaal De Waal en de toenmalige
luitenant-gouverneur-generaal Van Mook."
Later die middag verklaarde de hoofdredacteur van De
Leidsche Post,
Lina, dat hij van de inlichtingenofficier Van Beckhoven
informatie
had gekregen over de betrokkenheid van Van Mook bij een
opiumzwendel.
Van Beckhoven had hierover documenten aangetroffen bij een
huiszoeking
ten huize van luitenant Muller von Czernicki in Indonesië.
Generaal Engles had diezelfde morgen de Commissie al laten
weten, dat
hem indertijd al in Indonesië te horen was gekomen dat de
opiumsmokkel
richting Van Mook liep.
Verhoor door Rijksrechercheur Van Noothoorn:
Op 19 december 1950 verklaarde luitenant Berg: "Het is mij
bekend, dat
de majoor Brouwer een onderzoek heeft gehad in de
opiumsmokkel. Ik weet
dat Brouwer deze zaak niet tot een eind heeft kunnen
brengen, omdat hij
op hogere autoriteiten is gestuit."
Doofpot
Na de dood van generaal Spoor verdween de zaak-Aernout naar
de achtergrond.
Er was geen autoriteit die het onderzoek naar de
malversaties en de liqui-
daties wilde voortzetten.
De toenmalige vaandrig Nijenhuis, die indertijd op het
Hoofdkwartier in
Batavia het dossier-Aernout beheerde, heeft hierover op 9
september 2002
aan ondergetekende geschreven: 'Het had voor de hand
gelegen, dat generaal Buurman van Vreeden, de nieuwe
legercommandant, de zaak had doorgezet.
Buurman van Vreeden heeft dat blijkbaar niet kunnen of
willen doen. Ik
denk dat men moeilijk in het land van de overwinnaars lieden
kan berechten die aan de overwinnaars wapens leverden.'
(Opmerking: Misschien niet in Indonesië, maar dan toch zeker
wel later
in Nederland. Maar dat is ook niet gebeurd!)
Alle bij de malversaties betrokken officieren hebben dus
nooit voor
de Krijgsraad terecht gestaan en zijn bij terugkeer in
Nederland door-
gegaan met het intimideren en bedreigen van degenen die
teveel wisten,
waaronder de hoofdambtenaar van Defensie Van der Putten, die
in Neder-
lands-Indië generaal Spoor behulpzaam was geweest bij het
onderzoek.
Zelfs in latere jaren vonden de intimidaties nog steeds
plaats.
Dit is onder meer gebleken tijdens de verfilming van de op
deze affaire
gebaseerde Nederlandse speelfilm 'De Schorpioen'.
Een week voor de première schreef de NRC op 8 september
1984:
'Meer dan 36 jaar later zijn er in Nederland nog tal van
mensen die
wit worden om de neus en ernstig waarschuwen je er vooral
niet mee te
bemoeien. Dan volgt er een rij namen van mensen die hun
nieuwsgierigheid
met de dood hebben moeten bekopen of krachtig geïntimideerd
werden.
De meeste recente intimidatie betreft Ben Verbong, regisseur
van De
Schorpioen, in wiens werkkamer werd ingebroken, waarbij
niets van
waarde werd meegenomen, maar wel duidelijk naar iets (het
dossier-
Aernout?) is gezocht.'
Eerder, op 23 augustus 1984, was de journalist Peter
Schumacher, die
onderzoek deed naar de moord op vaandrig Aernout, al
opgebeld door
een zekere heer Beem die hem het volgende vertelde:
"Twee jaar geleden was ik er zelf mee bezig. Toen werd ik
gewaarschuwd
door iemand er mee te stoppen. Drie weken later werd die man
op een
zebrapad doodgereden. Ik weet nog veel meer, maar dat vertel
ik je niet,
want het is echt nog bloedlink."
(Opmerking: Op 17 juli 2004 schreef Peter Schumacher aan
ondergetekende:
'Indertijd waarschuwden enkele Indische vrienden mij vooral
op te passen
nu ik dit 'gevaarlijke' onderwerp ging onderzoeken. Er
konden nog steeds
mensen worden vermoord, die er te veel in gingen duiken!')
Overzicht geliquideerde personen
1) Begin 1948 overlijdt de NEFIS-officier Groeneveld na te
zijn ver-
giftigd. Blijkens een rapport van 23 april 1948 was hij
belast met
het onderzoek naar de wapensmokkel.
2) Op 10 februari 1948 komt overste Terluin bij Padalarang
bij een
nooit opgehelderd vliegtuigongeluk om het leven. Hij was op
weg naar
het Hoofdkwartier in Batavia met bewijsstukken over de
smokkelaffaire.
3) Medio februari 1948 overlijdt te Soekaboemi de
inlichtingenofficier
luitenant Van Wijk als gevolg van een vergiftiging.
Hij had bewijzen in handen gekregen dat een aantal
KNIL-officieren en
een hoge autoriteit betrokken was bij een grootschalige
wapensmokkel.
De wapens werden via Chinezen verkocht aan Indonesische
guerrilla's.
Vlak voor zijn dood had Van Wijk in Bandoeng zijn informatie
nog
doorgespeeld aan vaandrig Aernout (agent no.15).
Van Wijk stierf met de reisorder voor Nederland in zijn zak.
3) Op 28 februari 1948 wordt vaandrig Aernout tijdens een
ontmoeting
met luitenant Muller von Czernicki op de Junghuhnweg in
Lembang door
een Indonesische huurmoordenaar doodgeschoten.
5) De politieman Hendrik, die het onderzoek naar de moord op
Aernout van
nabij had meegemaakt, wordt dood in een gevangenis
aangetroffen.
(Opmerking: Dit betreft niet de sergeant Hendrik die
kapitein Westerling
heeft geassisteerd bij het onderzoek naar de moord op
Aernout.)
6) Een ambtenaar van de inlichtingendienst NEFIS, die het
onderzoek in
de zaak-Aernout in behandeling heeft, overlijdt na te zijn
vergiftigd.
7) De ambtenaar Van den Berg, één van de meest ingelichte en
gedocu-
menteerde figuren in de zaak-Aernout, overlijdt op 2
december 1948
na te zijn vergiftigd. Enkele maanden voor zijn dood had hij
de zaak
nog besproken met generaal Spoor.
8) De accountant Rusche, die Aernout behulpzaam is geweest
bij het
opstellen van een rapport over de gepleegde malversaties,
overlijdt
na te zijn vergiftigd. Hij stond op het punt om zijn
bewijsmateriaal
aan de militaire autoriteiten en de Landrechter over te
dragen.
9) Op 14 mei 1949 komen de oversten Jessurun en Gerhartz bij
een nooit opgehelderd vliegtuigongeluk bij Kroja om het
leven.
Volgens de inlichtingendienst moest ook dit ongeluk in
verband worden
gebracht met de malversaties bij het KNIL, aangezien deze
officieren
betrokken waren bij het onderzoek.
10) Zes dagen later, op 20 mei 1949, wordt generaal Spoor -
die de
leiding had in de zaak-Aernout - ziek als gevolg van een
vergiftiging
in het restaurant van de Jachtclub in Tandjong Priok en
overlijdt vijf
dagen later aan een hartstilstand.
11) De Auditeur-Militair bij de Krijgsraad te Velde, mr.
Haye - die de
zaak nog in behandeling heeft - overlijdt op 9 november 1949
na te zijn vergiftigd.
12) Op 26 augustus 1950 overlijdt de hoofdredacteur van het
Bataviaasch Nieuwsblad Houbolt na te zijn vergiftigd.
Hij zou de volgende dag naar Nederland vertrekken om zijn
dossier over
de malversaties en de liquidaties aan de regering voor te
leggen.
Pogingen tot liquidatie
Een paar dagen na de dood van generaal Spoor is in Tjimahi
de zeer goed geïnformeerde ambtenaar Mylanus ziek geworden
als gevolg van een vergiftiging. Wanneer hij uit het hospitaal wordt ontslagen, is
hij maar ten
dele hersteld.
De behandelende artsen konden niet positief vaststellen wat
de aard van
de vergiftiging was.
Verhoor door de Commissie-Zaaijer:
Op 12 december 1950 verklaarde Mylanus: "Enige dagen na de
dood van
generaal Spoor, namelijk op 29 mei, ben ik in elkaar gezakt
en zwaar
ziek geworden, gepaard gaande met hevige koortsen."
Op 13 februari 1951 verklaarde zijn collega Blokkerus dat
hij later
geen eten en drinken meer durfde te gebruiken dan wat hij
zelf had
klaargemaakt. Op de vraag van mr. Zaaijer of hij dan links
en rechts
doden om zich heen zag vallen, antwoordde Blokkerus: "Ik ben
er van
overtuigd, dat er zoveel mensen vergiftigd zijn in verband
met de zaak.
Ik heb de voorgeschiedenis niet meegemaakt, doch het was
toch bekend
dat deze mensen allen met dezelfde zaak bezig waren."
De Leidsche Post schreef op 1 september 1950:
'Te Bandoeng werd [in 1948] een poging gedaan om kapitein
Westerling,
door wijlen generaal Spoor met het onderzoek belast, en
waarmede hij
zeer ver gevorderd was, te vergiftigen, eveneens zijn
ondercommandant
[Ulrici]. Beide officieren herstelden.'
(Opmerking: Zelf heeft Westerling in 1984 hierover gezegd,
dat hij in
zijn onderzoeksperiode slechts door zijn eigen instinct en
geluk een
mogelijke aanslag op zijn leven heeft kunnen vermijden.)
Verhoor door de Commissie-Zaaijer:
Op 13 februari 1951 verklaarde luitenant-KST Ulrici dat hij
vlak voor
zijn vertrek naar Nederland was vergiftigd en op sterven had
gelegen.
Hij is er weer bovenop gekomen nadat de artsen
ruggenmergvocht bij hem
hadden afgetapt.
Ulrici: "Het zou vergif zijn dat door een Europese arts niet
onderkend
kon worden."
Hoofdredacteur Lina
Begin jaren '50 is in Nederland de hoofdredacteur van De
Leidsche Post,
Henk Lina, bij een mysterieus 'auto-ongeluk' om het leven
gekomen.
Van september 1950 tot en met februari 1951 had hij
wekelijks in zijn
krant paginagrote artikelen over de zaak-Aernout
gepubliceerd.
De informatie kreeg hij van de in Nederland teruggekeerde
personen van
de Inlichtingendienst (Van Beckhoven), Justitie (Brouwer),
de Leger-
technische Dienst (Van der Putten) en anderen, die grote
moeite hadden
met het feit dat de zaak in de doofpot was gestopt.
Zo schreef majoor Brouwer hem:
'Ik heb als tweede man van de Militaire Politie in Indonesië
naar eer en
geweten mijn plicht gedaan, maar moest daarbij terdege
rekening houden
met de mogelijkheden van liquidatie aangezien ik omringd was
door hoge burgerlijke en militaire machthebbers, die
middelen te baat zouden nemen,
indien ik te diep op deze zaken zou ingaan.'
Verhoor door de Commissie-Zaaijer:
Op 4 januari 1951 verklaarde Lina: "Met majoor Brouwer heb
ik ook een
onderhoud gehad. Deze was overtuigd dat Aernout vermoord was
in opdracht
van de 'gang', en dat onder zeer hoge militaire autoriteiten
malversaties
en corrupties zijn gepleegd.
Hij durfde dit in Indonesië echter niet aan te pakken, daar
er al meer
mensen het leven bij gelaten hadden.
Later verklaarde Brouwer schriftelijk tegenover mij dat hij
ook tegenover
de Commissie nog niet vrijuit heeft durven spreken, daar hij
alsnog van
mening was dat men ook hier in Holland zal trachten de zaak
in de doofpot
te stoppen."
Lina was ook in het bezit van documenten die zeer bezwarend
waren voor
een aantal hooggeplaatste personen.
Tijdens zijn verhoor heeft hij de toezegging gedaan alle in
zijn bezit
zijnde stukken over de wapen- en opiumsmokkel aan de
Commissie-Zaaijer
ter beschikking te zullen stellen.
Of dit daadwerkelijk nog voor zijn overlijden heeft
plaatsgevonden is
niet bekend.
In een van zijn laatste artikelen publiceerde Lina de
volgende anonieme
brief die hij op de redactie had ontvangen:
'Voor mij ligt een brief waaruit ik het volgende citeer:
"U doet er beter aan, Uw onderzoek te staken. Het is niet
zonder gevaar.
Ik ben een jaar lang bezig geweest bewijzen te verzamelen in
de kwestie
Aernout. Door mijn functie was ik daartoe alleszins in
staat.
Ik bracht die bewijzen op de plaatste waar ze behoorden,
maar er werd
niets aan gedaan.
Derhalve raad ik U aan, houd er mee op. U verspilt tijd,
geld en moeite.
U loopt tegen een muur, harder dan beton, zoals ik en
anderen dat deden.
Houd er dus mee op en vergeet!".'
Vlak voor zijn dood had Lina tijdens een openbare
vergadering in Den
Haag nog opgemerkt: "Hoge officieren van het KNIL waren bij
de knoeie-
rijen betrokken. De minister van Oorlog is daarvan volledig
op de hoogte.
Men zal in Nederland verbijsterd staan als alles bekend
wordt."
Enkele artikelen uit De Leidsche Post
1 september 1950 (over de corrupte ambtenaren en officieren)
Nederlandse regeringsambtenaren, officieren en
hoofdofficieren van
het KNIL stalen zich rijk in Indonesië. Velen van hen
keerden reeds
naar het moederland terug en anderen komen nog, hun borst
behangen
met onderscheidingstekens en...hoge pensioenen. En onder hen
waren
lieden die de moed hadden rapporten te onderscheppen, en de
tegen
hen ingediende beschuldigingen van corruptie en malversaties
in de
doofpot te stoppen, omdat ze daartoe de macht hadden. Maar
de Neder-
landse inlichtingenofficier vaandrig Aernout, die uit hoofde
van zijn
beroep vele malversaties van zijn superieuren aan het licht
bracht,
werd in Indonesië vermoord. En hij was niet de enige die een
dergelijk
lot onderging.
20 oktober 1950 (over de smokkelpraktijken)
Uit mededelingen van A.A.T. chauffeurs, die de vaandrig
Aernout tussen
Batavia en Bandoeng aanhield voor geringe vergrijpen, werd
hem toege-
voegd: "Wij worden gegrepen omdat we clandestien wat suiker
vervoeren,
maar op Batavia, onder de neus van de Generaal vervoeren de
hoogste
officieren nog heel wat anders". Hierdoor kreeg vaandrig
Aernout de
lucht van het feit, dat op Batavia, hoofdofficieren in
complot met
anderen, belangrijke goederen met militaire trucks
vervoerden, waar-
mede fantastische bedragen werden verdiend.
20 oktober 1950 (over de dood van Houbolt)
Wij hebben ons intussen gewend tot de broers e.a. van wijlen
de heer
J.A. Houbolt, Hoofdredacteur van het Bataviaasch Nieuwsblad,
die zijn
opzienbarende publicaties het licht deed zien en ons omtrent
zijn
plotselinge dood op 26 augustus jl. het volgende
mededeelden: De heer
Houbolt had een landhuisje gekocht buiten de stad Batavia,
in Pesing
aan de weg naar Tangerang. In dit huisje, waar hij voor het
eerst de
nacht zou doorbrengen, is hij overleden. Na het nuttigen van
de laatste
maaltijd, ongeveer 7 uur in de avond, begaf de heer Houbolt
zich ter
ruste. Om kwart voor tien hoorde zijn bediende, die in een
aangrenzende
kamer sliep, kreunen, waarop hij zich naar heer Houbolt
begaf. Deze was
toen reeds buiten kennis. Een kwartier later, omstreeks tien
uur, blies
hij de laatste adem uit. Een merkwaardige coïncidentie is,
dat hij zelf vermoedde kans te hebben het slachtoffer te
worden van de bekende "gang".
De heer Houbolt had kort vóór zijn dood passage geboekt op
het vliegtuig
om voor enkele maanden naar Nederland te gaan. Kort vóór
zijn vertrek is
er een militaire autoriteit bij hem geweest om te trachten
hem over te
halen een stuk te tekenen, waarbij de heer Houbolt zich zou
moeten ver-
binden van enigerlei actie af te zien.
Dit heeft de heer Houbolt geweigerd.
10 november 1950 (over de wapensmokkel)
Ons is bekend dat een vooraanstaand medewerker van de C.M.I.
en grote wapensmokkelaffaire op het spoor kwam en na
ontdekking van deze zaak,
(de gehele administratie was in zijn bezit) welke zeer
compromitterend
was voor een zeer hoge Indonesische bestuursambtenaar van
West-Java,
op een valse aanklacht van deze ambtenaar 51/2 maand werd
'knijp' gezet,
en daarna vrijgesproken. Dit 51/2 maand 'knijp' zetten
diende, om deze bestuursambtenaar rustig de tijd te geven de
gesmokkelde wapens, die in
dumps waren ondergebracht, veilig te stellen.
(Opmerking: De NEFIS/CMI-medewerker betreft Van Leijen. De
bestuurs-
ambtenaar Hilman Djajadiningrat. Op last van de
(Nederlandse) Officier
van Justitie zat Van Leijen van 4 maart 1949 tot en met 15
augustus 1949
in de gevangenis.)
Prins Bernhard
Bij een drietal verhoren door de Commissie-Zaaijer is ook de
naam van
prins Bernhard gevallen. De getuigen hadden het allen
vernomen van de inlichtingenofficier Van Beckhoven.
Verhoor door de Commissie-Zaaijer:
Op 12 december 1950 verklaarde de heer Van der Putten:
"Voor het dossier over de zaak-Aernout ben ik nog bij Van
Beckhoven
geweest. Op zijn vraag wat hiervan de bedoeling was,
antwoordde ik dat
ik de zaak wilde voorbrengen bij de Minister, waarop hij
antwoordde dat
men dit in Nederland niet behoefde te proberen; dat het in
Nederland nog
veel erger was dan in Indië en dat zelfs Prins Bernhard er
in betrokken
was. Ik ben er van overtuigd dat de dossiers, die Van
Beckhoven bezit,
zeer belangrijk zijn."
Op 21 december 1950 verklaarde mevrouw Aernout-Royaards:
"In maart 1950 trof ik Van Beckhoven die mij mededeelde, dat
hij de
stukken [over het onderzoek naar de moord op haar man] aan
het Mini-
sterie van Oorlog had afgedragen en mij adviseerde maar
niets aan de
zaak te doen, daar zelfs Prins Bernhard er bij betrokken
was."
Op 4 januari 1951 verklaarde de heer Lina:
"Van Beckhoven heeft tegen mij en Van der Putten verklaard
dat ook
Prins Bernhard bij de knoeierijen betrokken zou zijn."
(Opmerking: Op al deze verklaringen is door mr. Zaaijer niet
verder doorgevraagd, noch is de inlichtingenofficier Van
Beckhoven ooit door
de Commissie gehoord. Het is dus onbekend hoe Van Beckhoven
aan zijn
wetenschap kwam. Feit is dat de in opspraak geraakte
generaal Mojet,
vóór zijn komst naar Nederlands-Indië (december 1945), bij
de Staf
van prins Bernhard heeft gediend. Vermoedelijk heeft Van
Beckhoven
het een en ander met elkaar in verband gebracht.)
Persbericht, 23 juli 2005
Raadsel rond Prins Bernhard
Was Prins Bernhard eind februari 1948 nu wel of niet in het
vroegere
Nederlands-Indië? En zo ja, wat deed hij daar toen?
Een uniek document in het nieuwe boek 'Met de dood voor
ogen' van Henk
Hovinga wijst op een mogelijk geheime reis van Prins
Bernhard naar het
toen chaotische Indië.
Dat document is een agendablaadje van de vermoorde
transportofficier
Rob Aernout die een aantekening maakte van een militair
transport op
Java met Prins Bernhard op 17 februari 1948. Elf dagen
later, op
28 februari 1948, werd dezelfde vaandrig Rob Aernout
slachtoffer van
een nooit opgehelderde moord.
In maart 2005 had Henk Hovinga al in het veteranenblad
Checkpoint
geschreven:
'Uiteraard houdt Aernout geen dagboek bij over wat hij
dagelijks hoort
en ziet. Maar hij heeft wel een simpele schoolagenda met
summiere, maar veelzeggende aantekeningen.
Zo meldt hij op 17 februari 1947 [=1948] een bezoek van
prins Bernhard.
De schoolagenda zit nog wèl in Aernouts tas als die na de
moord aan
zijn weduwe wordt teruggegeven.'
(Opmerking: In de Checkpoint staat abusievelijk als datum
vermeld:
17 februari 1947. Deze fout is later hersteld in Hovinga's
boek
'Met de dood voor ogen'.)
In de Nederlandse kranten en archieven wordt echter nergens
melding
gemaakt van een bezoek van prins Bernhard aan
Nederlands-Indië in 1948.
Hieronder het agendablaadje van Aernout, met op 17 februari
1948 de
aantekening: 147 man: Prins Bernhard. 18.00.

(Opmerking: Indien deze 147 militairen betrokken waren
geweest bij de
escorte c.q. beveiliging van prins Bernhard, dan is het
opmerkelijk
dat in al die jaren nooit iemand van hen uit de school heeft
geklapt.
Aangezien er destijds in Tjimahi ook een kaderschool bestond
met de
naam 'Prins Bernhard', valt het niet uit te sluiten dat de
aantekening
van Aernout een contigent militairen van deze school
betreft.
Het vervoer van en naar deze school werd verzorgd door de
Coördinatie
Militair Vervoer te Bandoeng, waar Aernout transportofficier
was.)
Kapitein Luyke Roskott
Een van de hoofdrolspelers in de zaak-Aernout is de
kapitein-KNIL
dr. ir. Rudolf Johan (John) Luyke Roskott.
Geboren op 16 september 1902 in Djokjakarta wordt hij eind
jaren '20
naar Europa gestuurd om met een toelage van 1000 (!) gulden
per maand
te studeren aan de TH in Delft, de Sorbonne in Parijs en de
universi-
teiten van Glasgow en Heidelberg.
(Opmerking: Hij had miljoenen geërfd van zijn schatrijke
vader, die
tal van ondernemingen en onroerend goed bezat en rond 1915
in Djokja
is vermoord.)
Nadat hij in 1930 in Brussel was getrouwd met Ans Cassa (de
zuster
van overste Cassa, de latere troepencommandant van Bandoeng
en
Tjimahi) keert hij in 1933 als ingenieur in de
automobieltechniek
naar Nederlands-Indië terug.
Hier krijgt hij in Bandoeng een invloedrijke burgerbaan en
heeft veel
vrienden onder de Nederlanders, Chinezen en Indonesiërs.
Tijdens de mobilisatie dient hij als reserve-officier in het
KNIL
(legernr: 02211660).
Na de capitulatie in 1942 komt Luyke Roskott terecht in een
Japans
krijgsgevangenkamp in Bandoeng, waar hij vanwege zijn
technische
kennis de aandacht trekt van de Japanners.
Gedurende de gehele bezetting werkt hij bij de Technische
Dienst van
het Japanse leger.
(Opmerking: Een foto waarop hij staat afgebeeld met 2
Japanners
is in het bezit van ondergetekende.
In het rapport Fr/R/10 van de inlichtingendienst NEFIS staat
over
Luyke Roskott onder meer te lezen: 'Zeer intiem met
Japanners'.)
Gezegd moet worden dat hij zijn mede-krijgsgevangenen niet
vergeten
was. Regelmatig brengt hij medicijnen, sigaretten en
etenswaren naar
het kamp.
Mede door zijn goede verstandhouding met de Japanse officier
Yoishi
Hamada voorziet hij tevens een aantal vrouwenkampen van
voedsel en
medicijnen.
Naast zijn huwelijk met Ans Cassa knoopt Luyke Roskott een
relatie
aan met een Soendanese vrouw, genaamd Doen, die bekend staat
om haar
kennis van Indonesische vergiften. Behalve met Luyke Roskott
deelt
Doen ook het bed met Japanse officieren, waaronder kapitein
Hiroshi
Nakamura.
(Opmerking: Nadat Nakamura in geallieerde
krijgsgevangenschap was ver-
dwenen, heeft Luyke Roskott ook nog ook een kortstondige
relatie gehad
met diens maitresse Carla Wolff.)
In de rapporten van de inlichtingendienst NEFIS wordt Luyke
Roskott
ook herhaaldelijk genoemd als vermoedelijke medeplichtige in
een
geruchtmakende juwelenaffaire.
Onder Japanse leiding, waaronder kapitein Hiroshi Nakamura,
werd vlak
na de Japanse capitulatie voor kapitalen aan juwelen en
edele metalen
uit de pandhuizen gestolen.
Japanse officieren die hierbij betrokken waren, en met wie
Luyke Roskott
volgens de aantekeningen van de NEFIS op goede voet zou
hebben gestaan,
hebben later tijdens verhoren verklaard dat hij had
meegeholpen bij het
doen verdwijnen van de juwelen (de zogeheten Nakamura-schat).
Tijdens de 'Bersiap' stelt Luyke Roskott zijn leven in de
waagschaal
met het beschermen van kwetsbare groepen mensen tegen de
vele aanvallen
van jonge, fanatieke Indonesische nationalisten (Pemoeda's).
Niet lang daarna dient hij weer als 1e luitenant in het KNIL
en ziet
men hem vaak, gewapend met een karabijn, in een oude Jeep
rondrijden.
Na zijn bevordering tot kapitein voorziet hij tijdens de
Eerste
Politionele Actie (1947) vanuit zijn nieuwe standplaats
Semarang
de Nederlandse militairen van voertuigen, die hij geheel op
eigen
wijze overal vandaan weet te halen.
Hij is overal te vinden waar de jongens van de T- en
V-brigade hem
nodig hebben als hun 'materiaalmeester'.
Met name generaal Buurman van Vreeden en kolonel Huijsmans
hebben
zich later min of meer positief over hem uitgelaten.
Buurman van Vreeden: "De persoon Luyke Roskott stond bij de
troep
uitstekend aangeschreven. Hij maakte alles voor elkaar."
Huijsmans: "Het was zo'n type, als je tegen hem zei: 'Ik
moet morgen
honderd auto's hebben', dan stonden er de volgende dag
honderd auto's,
maar dan moest je niet vragen hoe hij er aan kwam.
Natuurlijk kreeg
men ook, met iemand als Luyke Roskott, dat hij goed voor
zichzelf en
zijn relaties ging zorgen."
Kort daarna is Luyke Roskott, samen met een aantal hoge
officieren en burgerlijke autoriteiten, betrokken bij een
grootschalige wapensmokkel
naar de Indonesische nationalisten.
Op 12 mei 1948 wordt hij door de MP in Semarang
gearresteerd, verdacht
van het leveren van wapens en voertuigen aan de TNI (het
Indonesische
leger). Ook bij hem thuis wordt een voorraad wapens in
beslag genomen,
waaronder Stenguns, Brownings en een Bren.
Luyke Roskott wordt daarna overgebracht naar de kazerne van
het Korps
Speciale Troepen in Batoedjadjar, waar hij ondervraagd wordt
door
kapitein Westerling.
Op nadrukkelijk bevel van de legerleiding moet men hem
echter later
weer vrijlaten.
Feit is dat Luyke Roskott dikwijls ook het nodige voor hoge
officieren
wist te 'organiseren' en hen aldus voor deze bijzondere
diensten aan
zich wist te verplichten.
Met name de generaals Mojet en De Waal hebben hem meermalen
de hand
boven het hoofd gehouden als hij weer eens in de problemen
kwam.
Generaal Engles heeft later opgemerkt: "Als je aan Luyke
Roskott kwam,
dan kwam je ook aan De Waal."
Overigens had Luyke Roskott een aversie tegen generaal
Spoor, omdat
hij ervan overtuigd was dat de legercommandant voor de
oorlog lid van
de NSB is geweest. Hoe hij aan deze wetenschap kwam, is
onbekend.
Na de soevereiniteitsoverdracht wordt Luyke Roskott op 27
juli 1950
adviseur bij het Indonesische leger en in mei 1953 gaat hij
met zijn
vrouw en eenjarige dochter met verlof naar Nederland.
(Opmerking: In 1947 was hij gescheiden van Ans Cassa en in
1948 her-
trouwd met de 18-jarige Javaanse Raden Endang Hartati
Brotosoedirdjo.)
In november 1953 keert Luyke Roskott weer naar Djakarta
terug, maar
de Indonesische autoriteiten weigeren hem zonder opgaaf van
redenen
de toegang tot het land.
Ook al zijn bezittingen ter waarde van vele miljoenen
guldens waren
inmiddels door de Indonesische autoriteiten geconfisqueerd.
Zonder van boord te zijn geweest keert het gezin berooid
naar Neder-
land terug.
Met behulp van zijn oude vriend generaal De Waal
solliciteert Luyke
Roskott tevergeefs voor een technische baan bij de Verenigde
Naties.
In 1954 tracht hij nog een bestaan op te bouwen als
handelsadviseur,
maar dat wordt eveneens een mislukking.
Uiteindelijk wordt hij in 1955 leraar op een autotechnische
school in
Apeldoorn.
Daarnaast adviseert hij het Directoraat Materieel Landmacht
(DML) bij
de aankoop van materieel voor de legerwerkplaatsen en geeft
hij onder-
richt aan onderofficieren. Tijdens een bezoek van prins
Bernhard aan
de school heeft Luyke Roskott de eer hem rond te leiden.
Luyke Roskott is altijd in Den Haag blijven wonen, maar door
de week
logeerde hij in het pension 'Klein Telanak' aan de Loolaan
in Apeldoorn,
op een steenworp afstand van zijn school.
Volgens een oud-collega was hij zeer geliefd bij de
leerlingen, die
hem 'Oom John' noemden. Ook hield hij nog regelmatig
samenkomsten met
zijn oude vrienden uit zijn Bandoengse tijd, waaronder
generaal De Waal,
kolonel Kroese en Perre.
Luyke Roskott heeft altijd alle beschuldigingen jegens zijn
persoon met
klem tegengesproken.
Toen begin jaren '60 de zaak-Van der Putten speelde, heeft
hij tegen een
journalist gezegd: "Ik heb mij noch aan corruptie, noch aan
collaboratie schuldig gemaakt. Moreel heb ik niets
misdreven."
En over de hoofdambtenaar Van der Putten: "Ik heb hem altijd
beschouwd
als een uiterst kundig technicus. Zijn baan bij de LTD voor
de oorlog
[in Bandoeng] heeft deze man, die mij nu beschuldigt, aan
mij te danken."
Luyke Roskott was in het bezit van een schrijven van de
Commandant van
de Nederlandse Strijdkrachten, waarin staat:
'Nadrukkelijk wordt bekend gesteld, dat de ingestelde
onderzoeken nopens
de tegen U ingebrachte verdachtmakingen hebben uitgewezen
dat omtrent ontoelaatbare handelingen Uwerzijds niets is
gebleken.'
Dit schrijven is echter niet afkomstig van generaal Spoor -
of diens
opvolger generaal Buurman van Vreeden - maar van een vriend
van Luyke
Roskott, namelijk het hoofd personeelzaken van de
adjudant-generaal en gedagtekend 25 juli 1950, dus 7 maanden
na de soevereiniteitsoverdracht
en 2 dagen voordat hij als adviseur bij de TNI in dienst
trad!
Op 13 december 1961 heeft hij tegen een journalist van Het
Parool
gezegd: "Of de generaals en de officieren van justitie zijn
stom en
idioot dat ze mij nog nooit gegrepen hebben, of ik heb niets
gedaan.
Want ik kan mij niet voorstellen dat ze de corrupte Luyke
Roskott niet
gepakt zouden hebben."
(Opmerking: Pim Colson - destijds in Nederlands-Indië
onderofficier van
de Centrale Justitiële Afdeling - heeft nog vlak voor zijn
dood in 2002
gezegd:
"Het staat voor mij onomstotelijk vast dat Luyke Roskott
direct betrokken
is geweest bij grootscheepse wapensmokkel. Wij hadden daar
verklaringen
over van gevangengenomen Indonesische militairen. Luyke
Roskott was een
meester in het doen verdwijnen van sporen die konden leiden
naar geknoei
met legermaterieel, waarvan hij telkenmale beschuldigd werd.
Hij had goede contacten in de hoogste legerkringen in
Bandoeng.")
Luyke Roskott is in 1967 gepensioneerd en in 1978 overleden.
Van der Putten
Eén van de meest ingelichte figuren betreffende de
malversaties bij het
KNIL en de moord op vaandrig Aernout was de hoofdambtenaar
van de Leger
Technische Dienst Frans van der Putten uit Bandoeng.
Nadat hij zijn bevindingen aan generaal Spoor had gemeld,
laat deze hem
tijdens een vergadering op 14 juli 1948 weten:
"Kapitein Westerling heeft op mijn last een diepgaand
onderzoek ingesteld
naar de moord op de vaandrig Aernout en de daarmede
verbandhoudende malversaties bij de kwartiermeester-generaal [Mojet]. De feiten
die het
onderzoek heeft opgeleverd zijn bijzonder ernstig.
De door u verstrekte feiten en gegevens zijn helaas
volstrekt juist
gebleken. Ik moet echter opmerken, dat de ernstige feiten
niet alleen
door officieren zijn gepleegd, doch ook door burgerlijke
autoriteiten,
waarbij wel contact bestond tussen beide categorieën.
Indien ik echter de vereiste maatregelen op dit ogenblik
zonder aanzien
des persoons moet uitvoeren, zou ik daardoor bijna veertig
procent van
mijn officiercorps voor de Krijgsraad moeten brengen. U kent
de huidige politieke situatie en zult zelf moeten erkennen,
dat dit thans onmogelijk
is. Ik ben van plan de vereiste zuiveringsmaatregelen
geleidelijk uit te
voeren en te beginnen met de huidige
kwartiermeester-generaal [Mojet] zo
spoedig als onder de huidige omstandigheden mogelijk is, van
zijn functie
te ontheffen. Ik geef u mijn woord als officier en
legercommandant, dat
ik zal zorg dragen, dat de schuldige militaire autoriteiten
nimmer tegen
u represailles kunnen nemen."
Als met de dood van generaal Spoor ook de zaak-Aernout in de
militaire
doofpot verdwijnt, beginnen de intriges tegen Van der
Putten.
Wanneer hij begin 1950 op het punt staat om naar Nederland
terug te
keren, krijgt hij bezoek van kapitein Luyke Roskott.
Deze laat hem weten, dat als hij niet al zijn documenten
over de zaak-
Aernout inlevert hij nooit levend in Nederland zal aankomen.
In het bijzijn van mevrouw Van der Putten stelt de kapitein
hem voor
de keus: "In Indonesië blijven, overgaan in dienst van het
Indonesische
leger en alle 'Indische zaken' vergeten, of...dit weigeren
en Nederland
nooit terugzien."
Van der Putten - die dit al had voorzien - antwoordt hem:
"De stukken
zijn al in Nederland; wanneer mij één haar wordt gekrenkt
volgt in
Nederland onmiddellijk publicatie van het dossier-Aernout."
(Opmerking: In dit dossier zit onder meer een verklaring van
het toen-
malige hoofd van de Justitiële Afdeling van de Militaire
Politie in
Bandoeng, waarin staat: 'Na de dood van de generaal Spoor
werd in een
schrijven van de kolonel Kroese de kapitein Luyke Roskott
opgedragen
de heer F.H. van der Putten ten koste van alles te
elimineren.'
Volgens de hoofdredacteur van De Leidsche Post, Lina, - die
het weer
van kapitein Westerling had vernomen - kwam de opdracht aan
'Bandoeng'
van kolonel Somer.
Lina: "De kapitein Westerling was bekend met een opdracht
van het Hoofd
van de Centrale Militaire Inlichtingendienst te Batavia, de
kolonel Somer,
aan het kantoor te Bandoeng, die luidde dat Van der Putten
zo spoedig
mogelijk ten koste van alles geëlimineerd moest worden.")
In februari 1950 keert Van der Putten terug in Nederland,
waar hij bij
de regering gehoor hoopt te vinden, maar de deuren blijven
echter voor
hem gesloten.
De regering heeft totaal geen belangstelling voor de
malversaties en
degenen die hun onderzoek met de dood hebben moeten bekopen.
De in Nederland teruggekeerde corrupte officieren worden
zelfs weer
in vooraanstaande posities benoemd.
Verscheidene keren wordt Van der Putten (die nog steeds als
hoofd-
ambtenaar bij Defensie in dienst is) weer geïntimideerd door
de
groep die hij bij generaal Spoor bijna tot aan de Krijgsraad
heeft
gebracht.
Als Van der Putten nogmaals de regering over deze figuren
opmerkzaam
maakt, laat minister mr. 's Jacob op 18 oktober 1950 een
onderzoek
instellen door een commissie onder leiding van mr. Zaaijer.
Dat het daarna voorgoed in de doofpot verdwijnt, blijkt als
de minister
van Oorlog, ir. Staf, in oktober 1951 twee bestuursleden -
de heren
Baatenburg de Jong en Kapinga - van de Nederlandse
Christelijke Bond
van Overheidspersoneel (NCBO) ontvangt om over de zaak te
spreken.
Tot teleurstelling van de Bondsbestuurders laat de minister
hen echter
weten: "Mannen, ik zit ermee. Als ik het deksel van deze
beerput oplicht,
weet ik niet waar ik blijf."
Bij een volgende gelegenheid vraagt de minister de
Bondsbestuurders hun correspondentie niet naar zijn
ministerie te zenden: "Stuur de stukken
naar mijn privé-adres, dan worden ze niet onderschept."
(Opmerking: Het privé-adres dat minister Staf voor de
Bondsbestuurders
heeft opgeschreven is: Louis Couperusplein 69, Den Haag.)
Later, op 20 oktober 1961, zal De Telegraaf hierover
schrijven:
'Generaal Spoor is dood. In Indonesië noch in Nederland is
er een auto-
riteit te vinden die de zaak-Aernout met wortel en tak kan
uitroeien.
De duistere machten zijn oppermachtig.
Één man blijft onbuigzaam onder de doden, die rondom hem
vallen: ambtenaar Van der Putten.
Hij is in het bezit van stukken waaruit de zaak-Aernout
duidelijk is.
In februari 1950 enkele maanden na de
soevereiniteitsoverdracht, vertrekt
hij naar Nederland.
In Den Haag hoopt hij gehoor te vinden voor zijn tot
berstens toe gevuld
gemoed. Het is ijdele hoop. Voor Van der Putten blijven de
deuren gesloten.
De moord op vaandrig Aernout en de vreemde dood van hen, die
het onderzoek dorsten beginnen, laat de regering koud.
Ook de weduwe, mevrouw H.J. Aernout-Royaards, blijft met
haar twee kinderen onverzorgd achter.
Zij wordt uitgesloten van haar pensioenrechten. De
motivering?: 'Vaandrig Aernout vertoefde niet in verband met
een dienstopdracht ter plaatse van
het gebeurde'.
Met andere woorden: vaandrig Aernout is in zijn vrije tijd
vermoord en
zijn weduwe heeft daarom geen recht op pensioen.
Het is deze even ongelooflijke als verschrikkelijke gang van
zaken, die
in de wilskrachtige - in Amsterdam geboren - Van der Putten
een ongeloof-
lijke felheid doet losbarsten.
Hij ziet hoe de figuren uit Bandoeng naar Nederland komen en
in vooraan-
staande posities worden benoemd.
Een bijna vertwijfelde Van der Putten waarschuwt minister
Staf voor de
figuren, die hij in zijn defensiehuis haalt. Hij wordt niet
geloofd; de
gevolgen hebben zich in de loop van de laatste jaren keer op
keer bij
D.M.L.-schandalen aangediend. Er zijn bekende 'Bandoengse
namen' bij.
Kort nadat zij in Nederland in het militaire zadel zijn
geholpen, beginnen de Bandoeng-figuren terug te slaan; proberen zij
wraak te nemen
op de man, die hen bij generaal Spoor tot onder de galg
bracht: F.H. van
der Putten. Duister als de dood van Aernout c.s. spinnen zij
hun draden
door het Nederlandse defensie-apparaat, waar mogelijk
trachtend Van der
Putten de carrièrenek te breken. Dikwijls lukt dit bijna.
Even vaak weet ook Van der Putten aan hun greep te ontkomen;
niet in de
laatste plaats door zijn voortreffelijk werk als ambtenaar,
waardoor hij
bij minister Staf en later ook bij staatssecretaris
Kranenburg de waar-
dering vond die hem toekwam.
Hoezeer minister Staf tenslotte ook overtuigd raakt van het
bestaan van
het komplot, dat Van der Putten het ambtelijk bestaan
onmogelijk wil
maken, blijkt in oktober 1951, wanneer hij twee
bestuursleden ontvangt
van de Nederlandse Christelijke Bond van Overheidspersoneel
om over de
zaak-Van der Putten te spreken.
De laatste woorden van de minister tijdens dit onderhoud
zijn: "Mannen,
ik zit ermee. Als ik het deksel van deze beerput oplicht,
weet ik niet
waar ik blijf".'
Op 8 januari 1960 moet Van der Putten een bedrijf in
Oudewater contro-
leren, waar reparaties aan legervoertuigen zijn uitbesteed.
De echtgenote van de eigenaar van het bedrijf, mevrouw Van
der Bree,
vertelt hem dat een zekere Franssen van het ministerie van
Defensie op
bezoek is geweest, die haar - indien het bedrijf van haar
man in de
toekomst nog opdrachten van Defensie wilde hebben -
nadrukkelijk had
verzocht medewerking te verlenen aan zijn schorsing.
(Opmerking: Haar was namelijk door Franssen het volgende
opgedragen:
"Bij het eerstvolgende controlebezoek van Van der Putten
moet u hem in
het kantoortje apart nemen, uw blouse losscheuren, gillen,
personeel
roepen en zeggen dat u bent aangerand. Den Haag zal dan wel
voor de
rest zorgen."
Mevrouw Van der Bree heeft pertinent geweigerd hierop in te
gaan!
De verwachting van de Defensie-ambtenaar dat de firma van
haar man te
zeer afhankelijk was van legeropdrachten en zij niet durfde
te weigeren
was dus voorbarig gebleken.)
De Rijkspolitie in Oudewater wordt in de 'aanrandingscène'
gekend;
Van der Putten doet aangifte; een proces-verbaal wordt
opgemaakt, maar
dat leidt alleen maar tot een nieuwe doofpotactie.
Dit doet de advocaat van Van der Putten, mr. Geleijnse,
opmerken: "Het
onderzoek is bepaald niet zo gedaan als men in Nederland mag
verwachten."
Op 20 oktober 1961 schrijft De Telegraaf:
'De zaak-Van der Putten is één van de onverkwikkelijke
naoorlogse
affaires in Nederland, zoals bij de 'aanrandingscène' in
Oudewater,
waarin de heer Van der Putten moest worden gelokt om hem als
hoofd-
ambtenaar onmogelijk te maken. Het is een intrige, die men
in Neder-
land voor onmogelijk houdt. De bewijzen zijn er. Voor wie er
kennis
van heeft kunnen nemen, staat het vast, dat een
'burgerambtenaar van
het ministerie van Defensie' deze valstrik voor
hoofdambtenaar Van
der Putten wilde uitzetten.
Uit de moord op Aernout ontwikkelde zich de zaak-Van der
Putten van
nu: nu dertien jaar geleden.
Evenals na de dood van de generaal Spoor trachten zijn
belagers nu Van
der Putten opnieuw in diskrediet te brengen.
Het duidelijkst wordt dit in de affaire-Oudewater.
Hoe zeer het Bandoengse gif in de Nederlandse defensie is
doorgedrongen,
blijkt ook wanneer de minister [in 1951] de bestuursleden
van de NCBO
vraagt de stukken over Van der Putten naar zijn privé-adres
te sturen.
Alle bewijzen in de zaak-Oudewater en alle wetenschap
omtrent de Aernout-achtergrond van de zaak-Van der Putten
ten spijt laat de defensieleiding
de door generaal Spoor 'gegarandeerde' Van der Putten
wegzinken in een
poel die voor hem werd gegraven.'
Op 24 november 1961 stuurt Van der Putten naar de nieuwe
minister van
Defensie Visser een rapport van 21 getypte vellen met namen
en feiten
over officieren, die zich in Nederlands-Indië aan corruptie
en colla-
boratie hebben schuldig gemaakt, en op dat moment nog op
vooraanstaande
posities in functie zijn.
Van der Putten schrijft onder meer hoe hij na de capitulatie
van Neder-
lands-Indië in 1942 de documentatie van een speciale
machinebatterij
had veilig gesteld en verborgen om gebruik daarvan door de
Japanners te voorkomen. Op nadrukkelijk bevel van twee
Nederlandse officieren, en
onder bedreiging met aangifte bij de Kempeitai (de Japanse
'Gestapo'),
moest hij de documentatie echter aan de Japanners afgeven.
In zijn rapport vermeldt Van der Putten tevens de ernstige
feiten die
zich na 1945 in Nederlands-Indië en later in Nederland
hebben afgespeeld.
Volgens hem zijn de talloze onregelmatigheden die hij de
afgelopen tien
jaar in Nederland heeft moeten vaststellen niet minder
ernstig en on-
mogelijk kunnen worden losgemaakt van de vroegere
gebeurtenissen in
Nederlands-Indië, met name omdat bij de latere
gebeurtenissen in Neder-
land dezelfde figuren een hoofdrol spelen.
Drie dagen na het ontvangst van zijn rapport wordt Van der
Putten door
minister Visser ontslagen.
DEPARTEMENT VAN DEFENSIE
Afdeling burgerpersoneel
Sectie II,
Bureau 7.
Aan de technisch hoofdambtenaar
1e klasse F.H. van der Putten
Ons nummer: B.06.07.17.003/275
's-Gravenhage, 27 november 1961
Onderwerp: Beëindiging dienstbetrekking.
Op 7 november jl. heb ik u opgedragen mij schriftelijk
opgave te doen
van u bij name bekende officieren, thans nog in dienst van
de Koninklijke Landmacht, die zich in het voormalig
Nederlands-Indië aan collaboratie
zouden hebben schuldig gemaakt en ook na de capitulatie van
Japan onregel- matigheden zouden hebben gepleegd.
Tevens verzocht ik u melding te maken van de feiten, waaraan
deze offi-
cieren zich naar uw mening zouden hebben schuldig gemaakt.
Hoewel u in uw brief van 9 november jl. toezegde aan deze
opdracht ge-
volg te zullen geven, hebt u hieraan bij uw schrijven van 24
november jl.
niet voldaan.
U hebt immers in geen enkel opzicht aangegeven dat, nog hoe,
deze offi-
cieren zouden hebben gecollaboreerd en aan welke
onregelmatigheden hebben
schuldig gemaakt.
Bovendien worden in uw schrijven beweringen gedaan omtrent
feiten en omstandigheden, welke hetzij door daartoe
ingestelde commissies zijn onderzocht en, voorzover deze bewijsbaar bleken te zijn,
aanleiding hebben
gegeven tot het treffen van geëigende maatregelen, hetzij
onbewezen of vage beschuldigingen inhouden ten opzichte van
daarbij betrokken militairen burgerpersoneel.
Zonder met de uitslagen van de ingestelde onderzoeken
rekening te houden, worden daarbij door u alle reeds eerder
door u te berde gebrachte verdenkingen herhaald en staande
gehouden en suggereert u de aansprakelijkheid van de totale leiding van de desbetreffende
legeronderdelen voor de
door u beweerde plichtsverzuimen.
Op grond van het vorenstaande acht ik u ongeschikt tot
verdere vervulling
van enige functie bij het Departement van Defensie en zie ik
mij deswege
genoodzaakt u ontslag te verlenen wegens ongeschiktheid voor
het door u
beklede ambt, anders dan ziels- en lichaamsgebreken.
De desbetreffende ontslagbeschikking treft u hiernevens aan.
De vraag of u op grond van het bepaalde in het tweede lid
van artikel 100
van het algemeen rijksambtenarenreglement voor de toekenning
van wachtgeld
in aanmerking kunt worden gebracht, zal worden bezien.
DE MINISTER VAN DEFENSIE
w.g. Visser
(Opmerking: Blijkbaar heeft minister Visser het rapport, dat
Van der
Putten hem gestuurd heeft - en dat ook in bezit is van
ondergetekende -
niet goed gelezen. Van der Putten noemt in zijn brief wel
degelijk de
namen en ernstige feiten van de collaborerende officieren.
Over het onder dwang afgeven van de door hem achtergehouden
documentatie
van een machinebatterij schrijft hij:
'In opdracht van de kapiteins Maurenbrecher en Luyke Roskott,
tenslotte
onder bedreiging met aangifte bij de Kempeitai, heeft
ondergetekende deze gegevens uitgeleverd. Deze uitlevering
werd opgedragen om de bedoelde machinebatterij te kunnen
gebruiken. Na de capitulatie van Japan is van vorenstaande
feit door ondergetekende bij de bevoegde autoriteiten aan-
gifte gedaan. Op die aangifte is nooit meer iets gehoord.')
Op 13 januari 1962 schrijft De Telegraaf:
'Vrijdagmiddag 27 november jl. heeft minister van Defensie
ir. S.H.
Visser het doek - willen - laten vallen over de moord op
vaandrig
Aernout gepleegd in 1948 in Nederlands-Indië, en de daaruit
voortge-
komen zaak-Van der Putten in Nederland:
"Ik heb de heer Van der Putten ontslagen. Hij is een gevaar
voor de
omgeving."
Donderdagavond 7 december zei prof. mr. P.J. Oud (VVD) in de
Tweede
Kamer: "Ik vraag de minister: geef ons volledige opening van
zaken.
De minister heeft zelf op een persconferentie gezegd: ik
wens dat de
onderste steen boven zal komen.
De minister kan zich niet voorstellen, dat de onderste steen
boven is
gekomen door het feit, dat de minister terecht, of ten
onrechte de heer
Van der Putten ontslag heeft gegeven".'
Van der Putten vecht zijn ontslag met succes aan bij de
Centrale Raad
van Beroep van het Ambtenarengerecht, maar uiteindelijk weet
Defensie
hem toch te treffen door zijn functie zogenaamd te laten
vervallen.
Teleurgesteld en moegestreden neemt hij op 15 november 1962
zelf
ontslag.
Fenny Hugo (Frans) van der Putten is in 1982 als een
verbitterd man
gestorven.
(Opmerking: Dat Van der Putten nooit is geliquideerd, heeft
hij naar
alle waarschijnlijkheid te danken aan het feit dat zijn
dossier met
alle bezwarende documenten ergens veilig in een kluis lag
opgeborgen.
Bij een eventuele aanslag op zijn leven zou zijn zoon het
dossier
onmiddellijk in de openbaarheid hebben gebracht.
Volgens mevrouw Van der Putten heeft haar man vlak voor zijn
dood
zijn gehele dossier vernietigd.)
Cartoon begin jaren '60:

Overzicht van enkele krantenkoppen 1949-1984
Wie vermoorde de vaandrig Aernout?
Hernieuwd onderzoek in duistere affaire gewenst
(Bataviaasch Nieuwsblad, 11 augustus 1949)
NACHT OVER NEDERLAND? Wie vermoorde de Veiligheidsofficier
Vaandrig R.C.L. Aernout? Corrupties en malversaties speelden
in dit drama een grote rol
(De Leidsche Post, 1 september 1950)
Ernstige beschuldigingen tegen groep officieren van het
K.N.I.L.
RECHTSZAAK tegen deswege aangeklaagde journalist liep dood
Verband met moord op vaandrig Aernout?
(Algemeen Handelsblad, 28 september 1950)
(Opmerking: De aangeklaagde journalist is de later
vergiftigde Jaap
Houbolt van het Bataviaasch Nieuwsblad.
De betreffende officieren zijn: generaal Mojet, kolonel Ente
van Gils, luitenant-kolonel Kooistra, kapitein Gooren en
kapitein Luyke Roskott.)
Werd onderzoek naar corruptie verhinderd door moord? De
mysterieuze dood van vaandrig Aernout en hoofdredacteur
Houbolt. (De Waarheid, 28 september 1950)
Raadsel van wapensmokkel op Java opgelost
HOGE FUNCTIONARIS IN NED. DIENST LEIDDE ZELF HET COMPLOT
(Trouw, 29 januari 1951)
(Opmerking: De hoge functionaris betreft de gouverneur van
Batavia
Hilman Djajadiningrat die - vanwege politieke belangen! -
onder de
speciale bescherming stond van de
luitenant-gouverneur-generaal
Van Mook.)
WAPENSMOKKEL OP WEST-JAVA
Ned. inlichtingenofficier werd slachtoffer van intriges
(Trouw, 5 februari 1951)
(Opmerking: De inlichtingenofficier betreft Van Leijen, die
op het
spoor kwam van Hilman's betrokkenheid bij de wapensmokkel.)
WAPENSMOKKEL OP WEST-JAVA
Landrechter ging met opzet niet op achtergronden in
(Trouw, 17 februari 1951)
(Opmerking: Het betreft hier de Landrechter mr. L.F. de
Groot.)
Admiraal Pinke haalt herinneringen op
"Kon. Marine kon weinig uitrichten tegen wapensmokkel naar
Djokja"
(Trouw, 9 maart 1951)
Na de dood van generaal Spoor begon: De Tienjarige
Vervolging van Van der Putten
(De Telegraaf, 18 juni 1960)
BEWIJS HOOGVERRAAD? Dreigend geheim van Van der Putten moet
onderzocht worden "TESTAMENT VAN GENERAAL SPOOR" ZOU NAMEN
VAN NEDERLANDSE
COLLABORATEURS BEVATTEN
(Algemeen Dagblad, 30 septenber 1961)
Van der Putten's Martelgang
GENERAAL SPOOR STOND GARANT
Lijdensweg, die al dertien jaar duurt begon in BANDOENG
Weg naar Oudewater is 'geplaveid' met zeven mysterieuze
doden uit de zaak-Aernout Moord op K.N.I.L.-vaandrig Aernout
in 1948 op Java legde de
kiem voor aanrandingscène in '60 (De Telegraaf, 20 oktober
1961)
(Opmerking: Dit betreft de zogeheten 'Bloesjesaffaire' in
Oudewater.
Mevrouw van der Bree moest op nadrukkelijk verzoek van
Defensie Van
der Putten compromitteren middels een in scène gezette
aanranding.)
Spoor van corruptie en zwendel bloedde dood in Lembang, in
een verlaten bungalow Schoten in de nek velden AERNOUT. Dit
was het begin van een reeks opzienbare sterfgevallen (De
Telegraaf, 21 oktober 1961)
Na de dood van generaal Spoor is de kust vrij
Kapitein X. krijgt opdracht de-man-die-teveel-weet te
elimineren
De NAKAMURA-SCHAT
Een spoor van juwelen, dat naar een vreselijk vermoeden
leidt Wapenleveranties aan Soekarno (De Telegraaf, 23
oktober 1961)
(Opmerking: Kapitein X betreft de kapitein-KNIL Luyke
Roskott, die van
hogerhand opdracht kreeg Van der Putten te elimineren.)
MOORDENAARS legden vaandrig AERNOUT het zwijgen op
TWEEMAAL ontsprong Van der Putten de dans
Van der Putten's martelgang is ook de lijdensweg van mevrouw
Aernout
(De Telegraaf, 24 oktober 1961)
Wie het Rapport-Huysmans leest, komt slechts tot de
conclusie
DIT weet de Minister niet
EXCELLENTIE S.H. VISSER SCHROOMDE NIET OP HET KOMPAS VAN
MISLEIDEND
RAPPORT-ZAAIJER TE GAAN VAREN
Commissie-Zaaijer bezoedelde - en passant - de nagedachtenis
van Legercommandant Spoor
(De Telegraaf, 25 november 1961)
Den Haag: Géén rehabilitatie Van der Putten
(Het Vrije Volk, 27 november 1961)
Oud-medewerker over Van der Putten:
"Waarom heeft deze goudeerlijke man het zo moeilijk?"
(De Telegraaf, 28 november 1961)
(Opmerking: De oud-medewerker uit Bandoeng betreft Henk
Blokkerus.)
GETUIGE UIT NEDERLANDS-INDIË VERKLAART:
Uitslag rapport-Zaaijer was blijkens verhoren bij voorbaat
bepaald
Drager M.W.O. achter Van der Putten
(De Telegraaf, 28 november 1961)
(Opmerking: De getuige betreft luitenant-KST-MWO Henk Ulrici.)
"Niet voor leugenaar staan"
Van der Putten maakt memorandum publiek
NAMEN MOGEN NIET WORDEN BEKEND GEMAAKT; RAADSMAN NIET
AKKOORD
(Leeuwarder Courant, 4 december 1961)
BESCHULDIGINGEN VAN CORRUPTIE
Van der Putten maakt memorandum openbaar
"Maar namen mogen niet worden gepubliceerd"
(Het Parool, 9 december 1961)
(Opmerking: Pas in 2001, toen de archieven werden geopend,
is bekend
geworden dat het hier onder andere kapitein Maurenbrecher en
kapitein
Luyke Roskott betreft.)
BLAD VAN OUD-STRIJDERS:
Houding regering in zaak-Aernout is onbegrijpelijk
(De Telegraaf, 16 december 1961)
(Opmerking: Het betreft hier het NIBEG-orgaan van de
Nederlands-Indische
Bond van ex-krijgsgevangenen, ex-geïnterneerden en
gerepatrieerden.)
DE TWEEDE KAMER WACHT NOG STEEDS OP
"DE ONDERSTE STEEN"
VAN EXCELLENTIE IR. S.H. VISSER
(De Telegraaf, 13 januari 1962)
Kamerlid wil openheid in de zaak-Aernout (De Waarheid, 22
oktober 1984)
(Opmerking: Het betreft hier het Tweede-Kamerlid Andrée van
Es.
Zij heeft in oktober 1984 de ministers van Binnenlandse
Zaken en Justitie verzocht tot openbaarmaking van de geheime
bijlagen van de Commissie-
Zaaijer uit 1951.
Het zal nog tot 2001 duren voordat een groot deel wordt
vrijgegeven!
Andrée van Es was getrouwd met Maarten van Traa, de later
verongelukte voorzitter van het parlementaire IRT-onderzoek
in 1994.)
Tot slot
In september 2002 heeft kolonel b.d. Dorrestijn in het
maandblad Sta
Vast onder meer geschreven:
'Bij het Instituut voor Militaire Geschiedenis in Den Haag,
mocht ik
het onderzoeksverslag van de Commissie-Zaaijer lezen.
Vaststaat dat verschillende getuigen en informanten nooit
zijn gehoord,
dat een aantal van hen onder verdachte omstandigheden om het
leven is
gekomen, dat systematisch archieven zijn vernietigd, dat
getracht is
te voorkomen dat documenten mee naar Nederland werden
genomen en dat
sommige 'insiders' die nog in leven zijn (en eventueel over
privé-
documenten beschikken) ook nu niet met hun wetenschap in de
openbaar-
heid durven komen.
Militairen en burgers die zich schuldig hadden gemaakt aan
diefstal, verkrachting, machtsmisbruik of landverraad
(ondersteunen van de
vijand) bleven in bepaalde gevallen om onduidelijke redenen
buiten
schot en werden na de overdracht aan Indonesië niet
vervolgd.
Het is mr. Zaaijer en zijn commissieleden ondanks hun
doorzichtige
inspanningen niet gelukt om het deksel op de beerput te
houden. De
stank van deze walgelijke poging is meer dan 50 jaar nog
steeds niet
te harden. Sommige schoften uit die tijd kunnen nog in leven
zijn,
maar of er ooit gerechtigheid zal worden gedaan?
Misschien heeft de nieuwe minister van Defensie de moed om
alsnog een onderzoeksopdracht aan het Instituut voor
Militaire Geschiedenis of
aan het NIOD te verstrekken.
Dat zou in ieder geval een begin zijn.'
In de epiloog van zijn boek 'Een bende op Java' schrijft de
onderzoeks-
journalist Peter Schumacher:
'Het is aan het 'gedram' van klokkenluider Van der Putten te
danken,
of te wijten zo men wil, dat na een halve eeuw de corruptie
en andere
onfrisse zaken in legerkringen nog enigszins te
reconstrueren vallen.
Zonder het door Van der Putten afgedwongen onderzoek door de
CommissieZaaijer - hoe onbevredigend het eindrapport van de Commissie
ook is
geweest - hadden we helemaal nooit meer iets geweten over
deze corrupte
schaduwzijde van de laatste jaren van het Nederlandse bewind
in Indonesië.
Dat er massaal wapens werden gesmokkeld uit de eigen
arsenalen naar de
vijand is door admiraal Pinke met instemming van generaal
Buurman van
Vreeden ronduit toegegeven in een vraaggesprek met Dirk
Hendrikse in het
dagblad Trouw [9 maart 1951].
Geen parlementariër die er schande van sprak of vragen over
stelde.
Geen onderzoekscommissie die de zaak tot op de bodem wenste
uit te zoeken.
De Indische beerput staat nu pas op een kiertje open.'
En er zit nog veel meer in!
Dankwoord
Allereerst gaat mijn bijzondere dank uit naar de
onderzoeksjournalist
Peter Schumacher van wie ik veel steun en medewerking heb
ondervonden.
Voorts bedank ik al degenen die mij de afgelopen jaren
voorzien hebben
van belangrijke informatie, waaronder Rob Smulders (destijds
de adjudant
van generaal Spoor), Pim Colson (destijds dienende bij de
Centrale Justi-
tiële Afdeling) en Jaap van Dijk (destijds dienende bij de
Krijgsraad te
Velde). Mevrouw Marga de Haan-Verouden ben ik zeer
erkentelijk voor het
plaatsen van mijn verslag op haar website.
Gerard de Boer
=
BIJLAGEN
1) Stamboekgegevens uit het archief van de adjudant-generaal
(1948)
2) Notitie van vaandrig Hündling aan kapitein Westerling
(1948)
3) Schrijven van Muller von Czernicki vanuit de gevangenis
(1948)
4) Schrijven van Muller von Czernicki vanuit de gevangenis
(1948)
5) Verklaring van Chr. Hovenstad en F.A. de Jonge (1950)
6) Verklaring van de echtgenote en moeder van vaandrig
Aernout (1950)
7) Verklaring kapitein Elshout inzake vrijlating Pietersen
(1950)
8) Schrijven van mevrouw Aernout en Van der Putten aan mr.
Oud (1950)
9) Schrijven van mevrouw Aernout aan minister van Defensie
Visser (1961)
en diens antwoord (1962)
10) Schrijven van het ministerie van Binnenlandse Zaken
(2006)
1) Stamboekgegevens uit het archief van de adjudant-generaal
(Alons):
ROBERT CAREL LEO AERNOUT
Geboren 18 april 1911 te Den Haag.
Militie Vaandrig Inf. V.S.D.
Stamboeknummer 159311.
Vermoord te Lembang 28 februari 1948 22.30 uur bij kampong
GENTENG
nabij Lembang (in gezelschap van Luit. MULLER von CZERNICKI).
Aard van de verwonding: schotwond in nek (dum-dum kogel).
Begraven 1 maart 1948 op de begraafplaats PARKWEG te
Bandoeng.
Echtgenote: Mevrouw H.J. AERNOUT-geb. ROYAARDS.
Moeder: Mevr. de Wed. J.C.L. AERNOUT-VERSTEEGH, vroeger
wonende
Bengawanlaan 54 Bandoeng, thans CORVERLAAN 2 BUSSUM
(Nederland).
Familie AERNOUT is naar Nederland teruggekeerd per "JOHAN de
WITT" op
25 mei 1948.
Gevoerde correspondentie:
I. Melding door aan A.O. door telegram Basiscommandant
Bandoeng,
dd. 1-3-'48 (Archief A.G. ink. No 1320 dd. 1-3-'48).
II. Bij telegram van Basiscommandant Bandoeng dd. 22-3-'48
No. BC/PZ 52 (Archief A.G. No. 1780 dd. 23-3-'48).
MET VERMELDING: VERTOEFDE NIET IN VERBAND MET DIENSTOPDRACHT
TER PLAATSE VAN HET GEBEURDE.
Vaandrig AERNOUT behoorde tot de "B" Divisie (C.M.V.) per 1
november 1946.
Op 28 Juni 1947 op Bandoeng gedetacheerd bij het
Basiscommando.
-o-o-o-o-
(Opmerking: De aantekening dat Aernout 'niet in verband met
dienst-
opdracht (dus als transportofficier) ter plaatse was van het
gebeurde',
heeft grote consequenties gehad voor het weduwepensioen van
mevrouw
Aernout. Zij werd hiervan uitgesloten! Dat Aernout in
Lembang vertoefde
in verband met zijn nevenfunctie (inlichtingenwerk) hebben
de autoriteiten later (wegens politieke redenen?) altijd
glashard ontkend!).
2) De volgende notitie, eigenhandig geschreven en
ondertekend door
vaandrig Hündling, kwam tijdens het onderzoek in handen van
kapitein Westerling:
S. van der Meulen van het Parket beweert dat de moordenaar
van Aernout
Muller von Czernicki is.
Dat de mensen die tegen Si John [Luyke Roskott] optrekken
uit moeten
kijken.
Dat de Jap Numena en Si John en de Nakamuraschat wat met
elkaar te
maken hebben.
w.g. K. Hündling
4) Schrijven van Muller von Czernicki (vanuit de gevangenis)
aan
G.H. Theunissen, Ritmr.-Wnr., Cdt. der IIe Vliegbasis:
Zaterdag, 17 April 1948.
Hooggeachte Ritmeester Theunissen,
Op aanzegging van den Auditeur-Militair bevind ik mij in
voorlopig
arrest, verdacht van moord op den Vdg. AERNOUT.
Overbodig U te zeggen dat ik geheel onschuldig ben en ik
mijn geweten
zuiver weet.
Omdat ik bij verhoor wellicht onderwerpen zal moeten
aanroeren die
in geheime besprekingen tussen U en mij zijn behandeld,
alsmede
geheimen den Veiligheidsdienst der IIe V.B. betreffende,
verzoek ik
U mij ommegaand wel ontheffing te willen verlenen van
desbetreffende
geheimhouding. Zoudt U het gevraagde door tussenkomst van
Kapt.Mr.
HAYE, de Auditeur-Militair, willen toezenden? Mocht U voorts
nog het
een en ander willen en kunnen doen voor de bewijsvoering,
dat ik geen
moordenaar doch slachtoffer van een noodlottige samenloop
van omstan-
digheden, die volgens mij tot een ergerlijk misverstand of
misschien
nog erger hebben geleid, ben geworden, dan hoop ik dat U mij
hierin
met alle U ten dienste staande middelen, eventueel via het
Hoofd-
kwartier der Militaire Luchtvaart (Kapt. STRAUSZ, SCHRIJVER
of anderen)
wilt bijstaan in deze erezaak van mij.
Mag ik U tenslotte nog om mogelijke hulp en/of bijstand (o.a.
met ver-
voer, indien zulks nodig mocht zijn) voor mijn vrouw
verzoeken?
Met gevoelens van oprechte hoogachting jegens U teken ik
mij,
de dienstvaardige
(w.g.) O.H.J. MULLER VON CZERNICKI
Res. 1e Lt. V.S.D.
P.S. Zoudt U zo goed willen zijn om den heer Wormser te
vragen deze
kwestie voorlopig uit de krant te willen houden om later
onnodige
redressering te voorkomen?
4) Schrijven van Muller von Czernicki (vanuit de gevangenis)
aan zijn
echtgenote, april 1948:
Inniggeliefde Dayteke,
Wat heb ik gehuild en getobd over jou en het kind, dat met
mij in deze
ontzettende toestand gekomen is.
Nogmaals lieveling, bij God geloof mij dat ik onschuldig ben
en het
slachtoffer van wel uiterst noodlottige omstandigheden.
Ik dreig een tweede Dreyfus te worden zonder een Emile Zola
die mijn
recht en eer herstelt.
Laten jullie allen toch niets, maar dan ook niets onbeproefd
om de
werkelijke aanslagplegers op te sporen en bewijzen ter
mijner ontlasting
te vinden, anders vrees ik het ergste omdat de Krijgsraad op
overtuiging
mag vonnis vellen voor zover ik weet.
Ons leven, geluk en eer en gezondheid staat op het spel.
Laat ook nagaan wat een mogelijke valse verklaringen of
lichtvaardige
beweringen ingeslopen mochten wezen.
Ik zelf kan alleen maar steunen op Kardi's verklaringen
eertijds tegen-
over de Algemene Politie gedaan, op Krijgers bevindingen, op
het feit
dat nog geschoten werd buitenshuis, toen ik alweer in het
huis was, op
de ervaringen dat Tommyguns inderdaad die euvelen vertonen
waardoor ik
niet in staat ben geweest op de aanslagplegers te vuren.
Bovendien heeft Inspecteur Krijger mij medegedeeld, dat de
bewuste avond
circa 10 uur inderdaad een bende in Genteng geweest is.
Laat men dit alles in Godesnaam vastleggen en iedereen die
ook maar iets
zou kunnen weten tot en met uithoren. Het gaat hier om ons
aller geluk
en eer.
Schrijf Swen uit mijn naam dringend om bij jou terug te
komen.
Als men mij niet zou geloven voor den Krijgsraad, en
veroordeelt, be-
tekent dat de dood. Ik heb gevraagd om rechtskundige
bijstand, doch dat
kan bij een Militair proces niet gegeven worden, schijnbaar.
Vraag Wim vooral om jouw glucose-inspuitingen voor je hart
en veel
spasmalgyn-tabletten.
Houd je in Godsnaam goed voor je zelf en de kleine Johannes.
Vraag ook of John bij je komt om je eens te troosten.
Ik kan je zo weinig soulaas geven. Het is alsof mijn hoofd
barst van
ellende.
Mijn God, gelooft men mij dan helemaal niet; slaat men dan
geen acht
op mijn conduite als officier, de offers die ik gebracht heb
voor de
goede zaak, mijn plichtsbetrachting, rechtvaardigheidszin.
Ik sta versteld van de gedachte dat er schijnbaar redenen
zijn geweest
tot mijn arrestatie.
Afgezien van het feit dat ik nog nooit iemand doodgeschoten
heb is er
volgens mij geen enkele beweegreden om Rob Aernout te
vermoorden.
Al mijn personeel weet hoe ik met hem omging en hem hoog
waardeerde.
Schrijf je gauw eens, door tussenkomst van den
Auditeur-Militair, die
de brieven moet lezen, terug.
Houd je flink lieveling. Geen traantjes. Blijf kalm. Kus het
jongske,
Veel innige kussen van
OTTO.
(Opmerking: Muller von Czernicki is later wegens gebrek aan
bewijs vrij-
gelaten, maar kapitein Westerling - die hem in april 1948
heeft verhoord
- was tot aan zijn dood in 1987 er nog steeds van overtuigd
dat Muller
von Czernicki bij de moord op Aernout betrokken is geweest.
Westerling heeft hierover in 1984 gezegd: "Toen Muller
vastzat, heb ik
hem proberen te testen op zijn onschuld. Ik zei tegen hem:
'Als je wilt ontvluchten, geef ik je de gelegenheid. Dat
vind ik OK, want
ik ben namelijk een communistisch agent. Die functie van
commandant van
de Speciale Troepen is maar een dekmantel.'
Indien Muller niet op dit aanbod was ingegaan dan zou hij
m.i. onschuldig
zijn geweest, maar Muller stemde toe in een ontvluchting.
Hieruit heb ik geconcludeerd dat hij schuld droeg.")
5) Verklaring van Chr. Hovenstad en F.A. de Jonge; collega's
van vaandrig
Aernout:
V E R K L A R I N G
Op vrijdag 27 februari 1948 vroeg Vaandrig AERNOUT aan mij
en mijn
collega F. de Jonge tezamen, of wij op zaterdagavond 28
februari, dus
de volgende dag, met hem op "varkensjacht" wilden gaan naar
Lembang.
Een poosje daarna, nog dezelfden dag, verklaarde vaandrig
Aernout
dat met deze "varkensjacht" bedoeld werd het beschermen van
het huis
van MULLER VON CZERNICKI op Lembang tegen extremisten, daar
Muller
von Czernicki dit verzocht, omdat er van zaterdag op zondag
van
28 op 29 februari 1948 een actie van de Paratroepen zou zijn
en
Muller von Czernicki bang was dat zijn bungalow zou worden
aangevallen,
als eventueel extremisten terug werden gedrongen.
Op zaterdagochtend 28 februari 1948 was mevrouw Aernout op
het C.M.V.
en sprak met mij en met de Jonge, waarbij mevrouw Aernout
nog opmerkte:
"Zo, dus jullie gaan vanavond mee op de "varkensjacht". Ik
zou maar
uitkijken, dat jullie elkaar niet voor varkens aanzien".
Hierop heb ik nog geantwoord: "Dat zal wel loslopen, daar
ben ik niet
bang voor."
Dezelfden dag, nog des morgens, zeide vaandrig Aernout tegen
ons, dat
het meegaan naar Lembang niet kon doorgaan, daar Muller von
Czernicki
ons niet mee wilde hebben.
Zondagochtend 29 februari, nog van het gebeurde onkundig,
stonden de
Jonge en ik met enkele militairen op het station te wachten
bij het
brengen van een vereiste marsorder door de Vaandrig Aernout,
die
hij van de vorige dag in zijn zak had, waarop ten laatste de
Jonge
mevrouw Aernout opbelde en zeide: "Waar blijft de vaandrig
Aernout
nu toch".
Na gehoord te hebben, dat vaandrig Aernout vermoord was,
zeide ik
tegen de Jonge: "Daarom mochten wij niet mee. Net wat ik
zei".
Nimmer, noch in Indonesië noch in Nederland is mij omtrent
de zaak
Aernout enig verhoor afgenomen of om inlichtingen gevraagd.
Wageningen, 2 September 1950
Onder aanbod van ede opgemaakt:
w.g. Chr. Hovestad
w.g. F.A. de Jonge
6) Verklaring van de dames Aernout-Royaards en
Aernout-Versteegh,
respectievelijk de echtgenote en moeder van vaandrig
Aernout:
V E R K L A R I N G
Begin november 1949 bracht ik met mijn schoonmoeder een
bezoek bij
de heer van Beckhoven, wonende Van Boetselaerlaan 172 te Den
Haag.
De heer van Beckhoven was ten tijde van de moord op mijn man
officier
K.N.I.L. en wel bij de Militaire Inlichtingendienst in
Indonesië en
heeft mij indertijd met de Luit.Kolonel Agerbeek een verhoor
afgenomen.
De heer van Beckhoven vertelde ons op bovengenoemde datum,
dat men reeds
wist wie de dader was en wel een zekere heer PIETERS en twee
Indonesiërs.
De moord op mijn man was een opgezet spelletje geweest van
de Luit.
MULLER von CZERNICKI, die deze mensen hiertoe had aangezet.
Hij vertelde verder dat hij indertijd in Indonesië een
bezoek aan Muller
von Czernicki had gebracht en hem gezegd had, dat er bij hem
diezelfde
avond een huiszoeking gehouden zou worden, waarop Muller von
Czernicki verschillende dossiers aan hem - van Beckhoven -
in bewaring gaf.
De heer van Beckhoven smolt de lakken en maakte van alle
papieren foto-
copieën. Daarna maakte hij de dossiers weer dicht en gaf ze
later aan
Muller von Czernicki terug.
Zo verklaarde de heer van Beckhoven verder, dat er onder
deze dossiers
zeer bezwarende feiten waren voor hoge militaire en
burgerlijke autori-
teiten o.a. ook een zaak waarbij Resident KLAASSEN en de
Hoofdcommissaris
DAHMEN steekpenningen ten bedrage van F.30.000- van een
Chinees hadden aangenomen. Over deze laatste zaak had mijn
man nog kort voor zijn dood
met mij gesproken. De heer van Beckhoven vertelde verder in
Indonesië met
Muller von Czernicki over de inhoud dezer dossiers met hem
gesproken te
hebben en gevraagd, waar Muller von Czernicki deze papieren
vandaan had.
Muller von Czernicki was toen in huilen uitgebarsten en had
tegen van
Beckhoven gezegd: "Ik ben ook in verschillende dingen fout
geweest, maar
denk toch aan mijn vrouw en kind".
Wij beiden hebben de dossiers persoonlijk gezien.
Ik heb het bovenstaande bericht aan de Bond van
Burgerpersoneel in Mili-
taire Inrichtingen te Bandoeng.
Later omstreeks Maart 1950 ben ik bij de heer van Beckhoven
teruggeweest
en heb hem op de man af gevraagd of hij mij de bewuste
dossiers wilde
afstaan ten behoeve van mijn advocaat.
Toen vertelde mevrouw van Beckhoven plotseling, dat hij alle
dossiers
aan de Tweede Kamer had gezonden en later in het gesprek,
dat hij deze
dossiers had afgestaan aan het Ministerie van Oorlog.
Bussum, 9 september 1950
Onder aanbod van ede:
w.g. H.J. Aernout-Royaards
w.g. J.L.C. Aernout-Versteegh
(Opmerking: In de verklaring wordt de naam Pieters [moet
zijn Pietersen] genoemd. Deze is inderdaad op 22 juli 1949
gearresteerd, maar wegens
gebrek aan bewijs op 26 september 1949 vrijgelaten.)
7) Verklaring kapitein Elshout inzake vrijlating Pietersen:
KONINKLIJK NEDERLANDS INDISCH LEGER
HOOFDKWARTIER ADJUDANT-GENERAAL IN INDONESIË
KORPS MILITAIRE POLITIE/KONINKLIJKE MARECHAUSSEE
Stafkwartier M.P.I.
Nassaulaan no.26
BANDOENG.
VERKLARING
De Sergeant-Majoor PIETERSEN, Hendrikus Bernardus, Stbno.
09187000 is op
22 Juli 1949 op last van de Officier van Justitie te
Bandoeng in arrest
gesteld op grond van bij genoemde autoriteit ingebrachte
beschuldigingen
contra PIETERSEN.
Bij het daarop door personeel van de Justitiële Afdeling
ingestelde onder-
zoek is gebleken dat, dat de bedoelde beschuldigingen alle
grond misten,
zodat niet tot vervolging werd overgegaan.
PIETERSEN voornoemd, is vervolgens op 26 September 1949 in
opdracht van
de Auditeur-Militair overgebracht naar Batavia.
Bandoeng, 1 Juni 1950,
Namens de Commandant M.P.I.
Het Hoofd Just.Afd.,
w.g. W.F. ELSHOUT
Kap. der Jagers.
(Opmerking: Pietersen is later overgegaan naar de
Koninklijke Luchtmacht
en heeft tot aan zijn pensioen gediend op het Vliegkamp
Deelen bij Arnhem.
Hij woonde in Apeldoorn (woonoord Teuge). Op vrijdag 30
maart 1951 werd
hij verhoord door de Rijksrechecheur P.A. van Noothoorn
(Proces-verbaal
No. 15/'51; Onderwerp: Corruptie in Indonesië/Dood Vaandrig
Aernout).
Tegenover Van Noothoorn ontzenuwde Pietersen het hardnekkige
gerucht,
dat de moord op Aernout een 'crime passionel' zou zijn
geweest.
In Bandoeng deed namelijk het verhaal de ronde, dat mevrouw
Muller von
Czernicki - die al 12 jaar getrouwd was - haar eerste kind
kreeg nadat
Aernout bij het echtpaar aan huis kwam. Pietersen verklaarde
tegenover
Van Noothoorn onder meer het volgende:
"Het is mij bekend dat Aernout en Muller von Czernicki
bevriend waren,
doch het is naar mening uitgesloten dat Aernout een
verhouding had met
mevrouw Muller von Czernicki. Aernout was er niet de persoon
naar om
daaraan te beginnen. Het was echter een publiek geheim dat
mevrouw
Muller von Czernicki een verhouding had met de Luitenant
Matzen.
Aernout was geen geen huisvriend van Muller von Czernicki.
Vóór mijn arrestatie heb ik omtrent de dood van Aernout en
andere on-
regelmatigheden inlichtingen moeten inwinnen op last van mr.
Haye, de
Auditeur-Militair te Bandoeng (overleden verb.).
Uit mijn onderzoek is mij niet gebleken dat Muller von
Czernicki de
moord op Aernout zou hebben gepleegd.")
8) Schrijven van mevrouw Aernout en Van der Putten aan mr.
Oud (VVD):
Aan Mr P.J. Oud
te
R O T T E R D A M
Bussum, 19 november 1950
Hoogedelgestrenge Heer,
Hiermede verzoeken wij Uwe ernstige aandacht voor het
volgende.
Zeer zeker heeft U kennis genomen van de meest recente
publicaties
in De Leidsche Post, Trouw en andere bladen betreffende de
affaire
AERNOUT en de reeks daarmede samenhangende gebeurtenissen in
Indo-
nesië.
Wij en enkele andere Hoofdbestuursleden van de Bond voor
Burgerper-
soneel in Militaire Inrichtingen zijn thans bijna drie jaar
bezig
in deze affaires tevergeefs recht te verkrijgen.
Wij kunnen U verzekeren, dat alles wat tot dusver hierover
is gepu-
bliceerd, letter voor letter op waarheid berust, waarbij de
dossiers
in ons bezit zijn.
Ook thans, na ruim zes maanden pogingen gedaan te hebben
hier te lande
een onderzoek te verkrijgen en niettegenstaande de Minister
van Oorlog
een onderzoek heeft gelast in de zaak van de moord op
Vaandrig Aernout,
dus enkel in deze zaak, komt er geen schot in en is
duidelijk merkbaar
dat een machtige groep alle begin van eventuele maatregelen
doet tegen-
houden.
Omgekeerd is eveneens merkbaar, dat langzaam maar zeker,
wij, die deze
affaires in goed vertrouwen onder de aandacht van de
Overheid hebben
gebracht, geëlimineerd werden.
Wij moeten thans eerlijk verklaren, dat wij op deze wijze
geen uitzicht
meer zien om recht te verkrijgen.
Wij meenden in Nederland een democratische samenleving aan
te treffen
en waren ervan overtuigd, dat een serieus onderzoek zou
worden ingesteld.
Hierin zijn wij diep teleurgesteld.
In verband met het voorgaande, nemen wij de vrijheid ons
thans tot U
en Uwe fractie te wenden, met het dringend verzoek, ons, na
bestudering
van de dossiers, hulp in deze kwestie te verlenen.
De heer van der Putten kan dagelijks na afloop van zijn
werkzaamheden
na 6.30 n.m. in Rotterdam zijn, terwijl hij waarschijnlijk
op 1 Dec. a.s.
de gehele dag vrij is.
Wij zouden het zeer op prijs stellen, indien wij op een
nader door U te
bepalen dag en uur, liefst op 1 Dec. a.s. een onderhoud met
U zouden
mogen hebben en een en ander nader te bespreken.
Uwe nadere berichten met belangstelling tegemoet ziende,
verblijven wij,
Met de meeste hoogachting,
w.g. Mevrouw H.J. Aernout-Royaards
Corverlaan 2 te Bussum
w.g. F.H. van der Putten
Oranjelaan 14 te Bussum
9) Schrijven van mevrouw Aernout aan minister Visser (en
diens antwoord):
Aan Zijne Excellentie
de minister van Defensie
's-G R A V E N H A G E
Bussum, 2 december 1961
Excellentie,
Eerbiedig verzoek ik de aandacht van Uwe excellentie.
In 1950 en 1951 heb ik alle pogingen in het werk gesteld, om
de
instructie inzake de moord op mijn echtgenoot, de
inlichtingenofficier
vaandrig R.L.C. Aernout, gepleegd op 28 februari 1948 te
Lembang in
Nederlands-Indië, te doen opnemen.
De omstandigheden waaronder de moord is gepleegd, zijn zeer
bezwarend.
Ik heb mij gewend tot de Officier van Justitie te Amsterdam,
tot de
Procureur-Generaal te 's-Gravenhage, tot Uwe voorganger
Minister Staf,
tot Zijne Hoogheid de Prins en Hare Majesteit de Koningin.
Alle pogingen bleken tevergeefs.
Thans, naar aanleiding van de recente publicatie in de
Nederlandse
Pers, zijn verschillende meerdere feiten te voorschijn
gekomen, waar-
onder de huidige verklaringen van één der belangrijkste
personen, die
destijds in het onderzoek van de moord, op Nederlands gebied
gepleegd,
was betrokken.
Ik moge Uwe Excellentie dan ook thans met de meeste klem te
verzoeken,
opdracht te willen geven de instructie hier te lande alsnog
te doen
openen, zodat alle personen, die bij deze zaak destijds
waren betrokken,
gedegen bij proces-verbaal en onder ede kunnen worden
gehoord.
De nadere berichten van Uwe Excellentie omtrent mijn
dringend verzoek,
wacht ik met belangstelling af.
Met eerbiedige hoogachting,
w.g. H.J. Aernout-Royaards
DEPARTEMENT VAN DEFENSIE
Onderwerp: Verzoek mevr. De wed. H.J. Aernout-Royaards
Uw brief van: 2 dec. 1961
Ons nummer: P. 1.031.399
Aan: Mevrouw de Weduwe H.J. Aernout-Royaards,
Corverlaan 2
B u s s u m
's-Gravenhage, 16 februari 1962
Naar aanleiding van Uw brief dd. 2 december 1961 heb ik de
eer U mede
te delen, dat ik deze - na terzake gepleegd overleg - ter
behandeling
heb overgedragen aan mijn ambtgenoot van Justitie.
DE MINISTER VAN DEFENSIE
w.g. S.H. Visser
(Opmerking: Mevrouw Aernout heeft daarna nooit meer iets
vernomen.)
10) Naar aanleiding van recente publicaties heeft de heer
Teun Heijstek
uit Leeuwarden een brief geschreven aan de minister van
Binnenlandse
Zaken Remkes om de inmiddels 95-jarige weduwe Aernout alsnog
- met
terugwerkende kracht - het indertijd geweigerde
weduwepensioen toe
te kennen. Hieronder het antwoord van BZ:
Van: Tilmans, Jos, BZK/AOS/AO&IZ
Datum: Donderdag, 13 juli 2006
Onderwerp: Antwoord op uw e-mailbericht aan minBZK
Geachte heer Heijstek,
In een e-mail van 21 juni vroeg u minister Remkes onder meer
of het
mogelijk is de thans 95-jarige weduwe van de in 1948 in
Nederlands-
Indië vermoorde KNIL-vaandrig Rob Aernout alsnog met
terugwerkende
kracht een weduwepensioen toe te kennen. Onder verwijzing
naar de
informatie die ik u telefonisch heb gegeven op dinsdag 11
juli doe
ik u hierbij kort nog de argumenten toekomen waarom het op
basis
van de van toepassing zijnde regelgeving en het staande
beleid naar
mijn oordeel onmogelijk en ook onverstandig is om op die
vraag in
te gaan.
Juridisch (volkenrechtelijk) gezien is niet Nederland maar
Indonesië
de rechtsopvolger van de Nederlands-Indische overheid en van
de door
die overheid tot stand gebrachte regelgeving, ook op het
vlak van
pensioenregelingen.
Ten aanzien van de pensioenaanspraken van het
Nederlands-Indische
militaire en burgerpersoneel heeft Nederland wel bij
internatio-
naalrechtelijke overeenkomst en bij nationale wetten
(Garantiewet
BOI en Garantiewet KNIL) gegarandeerd om opgebouwde
pensioenaan-
spraken te betalen.
Met andere woorden: de Nederlandse overheid draagt geen
verantwoorde-
lijkheid voor de inhoud van de door de Nederlands-Indische
overheid
tot stand gebrachte regelgeving, maar heeft zich wel
verplicht om de
op basis van die regelgeving ontstane pensioenaanspraken te
betalen.
Als in de door de Nederlands-Indische overheid opgestelde
pensioen-
regelgeving geen weduwepensioen werd toegekend indien een
KNIL-militair
buiten diensttijd kwam te overlijden, dan kan de Nederlandse
overheid
daarom in die regelgeving niets veranderen. Ze kan die
regelgeving
alleen maar toepassen zoals die op het moment van de
soevereiniteit
overdracht gold.
Personen pensioenrechten toekennen die ze op grond van de
Nederlands-
Indische pensioenregelingen niet hebben gekregen is derhalve
alleen
mogelijk als Nederland in eigen Nederlandse wetgeving de
mogelijkheid
daartoe creëert. Voor zover mij bekend is dat nooit gebeurd.
Wel zijn er in de negentiger jaren enkele Uitkeringswetten
tot stand
gebracht waarbij onder meer aan oud KNIL-personeel het recht
op een
eenmalige uitkering werd toegekend.
Indien er al voldoende politiek en maatschappelijk draagvlak
zou zijn
om nu na ruim vijftig jaar er toe te besluiten nieuwe
pensioenrechten
voor oud-KNIL-personeel en hun nabestaanden te doen ontstaan
dan zou
er toch een lastig te voeren discussie ontstaan voor welke
nu niet
gedekte gevallen er rechten zouden moeten gaan ontstaan.
Niet alleen dus een discussie over of ook rechten moeten
ontstaan voor overlijden/ ongevallen buiten diensttijd, maar
bijvoorbeeld ook voor
verloofden en niet alleen echtgenoten en ook voor alle
rangen en niet
alleen voor bepaalde rangen.
En zo zullen er ongetwijfeld nog veel meer anno 2006 als
onbillijk
gevoelde verschillen zijn op grond waarvan met de
regelgeving van
Nederlands-Indië destijds een pensioenrecht werd geweigerd.
Dat bij veel oud-KNIL-personeel en hun familieleden nog
steeds veel
pijn en verdriet aanwezig is als gevolg van gebeurtenissen
en over-
heidsbeslissingen in de veertiger en begin vijftiger jaren
is duidelijk.
Als zoon van een inmiddels overleden oud-KNIL-militair heb
ik ook uit
eerste hand vernomen onder welke vaak moeilijke
omstandigheden men
destijds heeft moeten leven en werken. In die jaren is het
leven in
grote delen van de wereld zeer onzeker en risicovol geweest
en veel
overheden hebben hun rol en verantwoordelijkheden niet
altijd even
fraai vervuld.
Vraag is wel wat redelijkerwijs gevraagd en verwacht mag
worden van
de huidige overheid om die pijn en dat verdriet te
verzachten. Voor
welke gevallen uit het verleden ga je wel iets doen en voor
welke
gevallen niet. Zeker in dit soort aangelegenheden waarin
emoties een
belangrijke rol spelen is het risico levensgroot aanwezig
dat een
overheid bij een keuze al snel gedachten van willekeurig
handelen of
gevoelloos overheidsoptreden bij een deel van de mogelijk
betrokkenen
en hun familieleden op zich laadt. Met nieuwe
pensioenrechten die je
creëert doe je bij sommige anderen dan een nieuw gevoel van
onrecht-
vaardigheid ontstaan.
Om die reden lijkt het me onverstandig uw suggestie te
volgen.
Ik realiseer me dat dit antwoord niet datgene is wat u had
gehoopt
toen u uw vraag stelde. Hopelijk geeft het u wel een beeld
wat voor
afweging bij dit soort situaties door de overheid moet
worden gemaakt.
Met vriendelijke groet,
Jos Tilmans
BZK/AOS/AO&IZ
Tel. 070 - 4266891
Bronnen:
Dossier-Aernout (Inlichtingenrapporten, verklaringen,
verhoren, notulen
en correspondentie - 1948-1951)
Rapport-Zaaijer (Bijlagen en processen-verbaal - 1950-1951)
Personen:
H.J. Aernout-Royaards (Weduwe van vaandrig Aernout)
J. van Beckhoven (Vaandrig Inlichtingendienst NEFIS)
A. Berg (Luitenant-vlieger-waarnemer)
D.C. Buurman van Vreeden (Luitenant-Generaal)
W.H.M. Colson (Centrale Justitiële Afdeling)
L.J.J. Dorrestijn (Kolonel b.d.)
H. Hovinga (Onderzoeksjournalist)
N.J.M.A. Huijsmans (Kolonel-KNIL)
S.M. Jalhay (KNIL)
J.A. van Leijen (Ambtenaar Inlichtingendienst NEFIS)
H. Nijenhuis (Vaandrig op het Kabinet van generaal Spoor)
F.H. van der Putten (Leger Technische Dienst)
A.Ch. Schaub-Luyke Roskott (Dochter van kapitein Luyke
Roskott)
P. Schumacher (Onderzoeksjournalist)
L.P. ter Steeg (Autotechnische school, Apeldoorn)
J.H.C. Ulrici (Korps Speciale Troepen)
R.P.P. Westerling (Korps Speciale Troepen)
Bronnen betreffende de vergiftiging van generaal Spoor op 20
mei 1949:
G. de Boer Sr. - Inlichtingendienst NEFIS/CMI, Batavia:
Was betrokken bij het onderzoek op de Jachtclub in Tandjong
Priok.
J. van Dijk - Krijgsraad te Velde, Batavia:
Lag samen met hoofdaalmoezenier Verhoeven in de ziekenboeg
van de
'Grote Beer' op weg naar Nederland. Volgens Van Dijk voelde
Verhoeven
zich nog steeds erg beroerd sinds de lunch, die hij op 20
mei samen
met generaal Spoor en zijn adjudant Smulders had genuttigd
in het
restaurant van de Jachtclub.
E. Erkelens - Legerverbindingsdienst, Batavia,
Diende op het Hoofdkwartier in de directe omgeving van
generaal Spoor.
Was overtuigd dat de omstandigheid dat mevrouw Spoor-Dijkema
niet in
Batavia, maar in Nederland vertoefde in het voordeel van de
moordenaar
en diens opdrachtgevers heeft gewerkt om haar echtgenoot te
vergiftigen.
J.P.H.E. van Lier - Chef van het Kabinet van generaal Spoor,
Batavia:
Heeft generaal Spoor gesproken op 22 mei. Deze voelde zich
beroerd en
zag er slecht uit.
B. Martin - Militair Hospitaal I, Batavia:
Heeft tijdens een besloten vergadering met de behandelende
artsen te
horen gekregen dat de hartklachten van generaal Spoor te
wijten waren
aan een onbekend soort vergif.
B. van Oeffelt - Staf 7-December Divisie, Batavia:
Heeft op het Hoofdkwartier te horen gekregen dat generaal
Spoor was
vergiftigd. Hem werd dringend verzocht hierover verder te
zwijgen.
R.M. Smulders - Adjudant van generaal Spoor, Batavia:
Is na de lunch op 20 mei ziek geworden en heeft 4 dagen in
coma gelegen.
Heeft bevestigd dat de vergiftiging van generaal Spoor
bewust is verzwegen
en dat alles rond de dood van de generaal is 'weggemoffeld'.
Was er tevens van overtuigd dat de dood van generaal Spoor
te maken had
met de zaak-Aernout en paste in de reeks van verdachte
sterfgevallen.
P. Teeuwen - Centrale Justitiële Afdeling, Batavia:
Kreeg op 23 mei van een (Indische) verpleger van het
Militair Hospitaal
te Batavia twee recepten te zien ten behoeve van generaal
Spoor.
Volgens die verpleger waren het geen medicijnen die men
normaliter aan
een hartpatiënt voorschrijft. Hij kon (of mocht?) er echter
verder niets
over zeggen. Teeuwen had het vermoeden dat het om een
tegengif ging.
Kranten en tijdschriften:
Nieuwsgier: 13 februari 1948
Bataviaasch Nieuwsblad: 30 juli 1949 en 11 augustus 1949
De Leidsche Post: 1, 22 en 29 september 1950, 20 oktober
1950,
10 en 17 november 1950, 1 december 1950,
16 februari 1951
Algemeen Handelsblad: 28 september 1950
De Waarheid: 28 september 1950, 16 december 1950,
22 oktober 1984
Trouw: 29 januari 1951, 5 en 17 februari 1951,
9 maart 1951
Algemeen Dagblad: 30 september 1961
De Telegraaf: 18 juni 1960, 20, 21, 23 en 24 oktober 1961,
25 en 28 november 1961, 16 december 1961,
13 januari 1962, 8 juni 1991
Het Vrije Volk: 27 november 1961 en 16 december 1961
Het Parool: 9 en 13 december 1961
NRC Handelsblad: Kortschrift nr.18, 1980, 8 september 1984,
19 januari 1985
De Legerkoerier: 1983
De Groene Amsterdammer: 16 augustus 1995
Trivizier: november 2001
Sta Vast: september 2002
AD-Magazine: 19 oktober 2002
Checkpoint: maart 2005
Boeken:
H. Hovinga: 'Met de dood voor ogen', 2005
S.M. Jalhay: 'Allen Zwijgen', geen datum
P. Schumacher: 'Een bende op Java', 2005
D. Venner: 'Westerling, De eenling', 1982
R.P.P. Westerling: 'Mijn Memoires', 1952
L. Zweers: 'De crash van de Franeker', 2001
Opmerking
Gedeelten uit het verslag zijn inmiddels gepubliceerd in een
aantal
boeken en het veteranenblad Checkpoint.
Tevens heeft ondergetekende zijn medewerking verleend aan
een radio-
programma.
Peter Schumacher: 'Een bende op Java'; zie bronvermelding
p.205.
Ant.P. de Graaff: 'Indië vergeet je nooit!, p.131-132.
Henk Hovinga: 'Met de dood voor ogen', zie bronvermelding
p.215.
Henk Hovinga: Checkpoint, maart 2005: artikel 'De moord op
vaandrig
Aernout'; zie bronvermelding p.18; blauwe vak.
Henk Hovinga: Radioprogramma 'De moord op vaandrig Aernout',
uitge-
zonden door de VPRO/OVT op 9 en 16 april 2006.
Gerard de Boer
Amstelveen
 |