Home | Kranten | Berichten lezen/schrijven | Forum | LaguLagu | Stamboom | Knil Opa | Nieuws | Ons Archief | Contact
Wansaoeboen Labetubun.......
Een man met vele namen, de naam waar hij trots op was zal ik blijven gebruiken als ik het over mijn vader heb. Deze naam is "OPA" Opa is geboren op Sether Elat Kei besar (nuhu yuut) Indonesia zijn naam was Willem Labetubun, lees binnenkort over de vele namen van opa.


 
Wansaoeboen Stamboom.
Opa heeft een stamboom laten maken over zijn familie, lees binnenkort over deze stamboom die ik heb vergroot naar het familie deel in Nederland.

Actie Apra.
Opa was een Commando (groene baret) tijdens zijn dienstijd bij de KNIL. Lees hier over zijn deelname aan actie APRA en de foto's die gemaakt door een vriend van opa, de inmiddels ook overleden A.Nussy. Het zijn foto's gemaakt tijdens Actie APRA (sommige zijn schokkend).


 

Wansaoeboen Documenten.
Opa's official documents:
Paspoort uitgegeven door Westerling zelf
Burger pas "Statenloos"
Certificaat "erelid speciale troepen" (korps commando troepen)






 
DE AFFAIRE- MEYER

Inleiding

Na de Duitse inval in Nederland werd in het voormalige Nederlands-Indië
een groot aantal 'staatsgevaarlijke onderdanen' geïnterneerd, waaronder (Indische) NSB'ers, Duitse zeelieden van de koopvaardijschepen, circa
100 Duitse missionarissen en zendelingen, Duitse joden, maar ook bejaarde, geneutraliseerde Duitse militairen die hun hele leven bij het KNIL hadden gediend (sommigen waren uit ziekenhuizen en bejaardencentra weggehaald.
Een deel kwam in een ziekenbarak terecht, anderen stierven voordat dat
gebeurde).

Ook circa 150 jeugdigen van gemengde afkomst met een Duitse vader werden geïnterneerd: 'Indische jongens', die evenwel geen enkele band met Duitsland hebben en van wie velen zelfs geen woord Duits spraken. Er was zelfs een jongen van 16 jaar bij!

(Volgens dr. L. de Jong bleken er onder de circa 2800 'Duitse' geïnter-
neerden maar weinig felle Nazi's te zitten: een man of 30.)

Onder de geïnterneerden bevonden zich ook lieden die zich 'defaitistisch'
hadden uitgelaten. Een Indischman, die nooit iets met politiek te maken
heeft gehad, werd opgepakt omdat hij voor de grap in het openbaar had
gezegd: "Kapan toean Hitler kentoet, tanah Inggeris tidak ada lagi" (Als
meneer Hitler een wind laat, is Engeland er niet meer).
Toen hem later in het kamp gevraagd werd of hij eigenlijk wel wist waar
Engeland lag, moest de man het antwoord schuldig blijven.

Een ander volkomen a-politiek figuur was de toen 22-jarige KNIL-militair
Stulemeyer. Op 13 mei 1940, toen hij had vernomen dat de koningin de wijk had genomen naar Engeland, had hij hevig teleurgesteld uitgeroepen:
"Nu komen die moffen binnen en neemt de koningin de benen!"
De ramen stonden open en een buurman (Beekwilder) en een vriend (IJkma) brachten hem aan. Stulemeyer: "Eensklaps stonden er 10 gewapende militairen, aangevoerd door kapitein Blecking, die mij gelastte met mijn handen omhoog mee te gaan."

(Ruim 6 jaar later ziet hij zijn vrouw en dochtertje weer terug. Mevrouw Stulemeyer wist niet eens dat haar man nog leefde. Het Nederlandse Rode
Kruis had hem namelijk als 'verdronken' opgegeven!)

Rudolf Frühstück

De uit West-Java afkomstige gearresteerden werden ondergebracht in
uitgewoonde, van ongedierte wemelende, snikhete quarantainebarakken
van 'hadj-gangers' op het eiland Onrust. Op 15 mei 1940 werd hier
Rudolf Frühstück - die zich te dicht bij het prikkeldraad had gewaagd -
door een bewaker zonder waarschuwing van achteren met een welgemikt
schot in de hartstreek doodgeschoten. Hij stond namelijk met opgeheven
hoofd naar een paar koelies te kijken die in de bomen waren geklommen
om takken af te zagen. Daarbij stond hij met één hand op een van de
pijlers van de prikkeldraadversperring. En met deze hand was hij dus
boven het verboden gebied, d.w.z. binnen de twee meter van de omheining.

(Rudolf Frühstück was een jonge jood, die van Duitsland naar Singapore
emigreerde en vandaar naar Nederlands-Indië toen de oorlog tussen
Engeland en Duitsland uitbrak. Hij verkeerde in de veronderstelling
dat hij in Indië verder ongehinderd zou kunnen leven.)

Deportatie naar Suriname

Op 7 december 1941 vindt de aanval op Pearl Harbor plaats en een dag
later verklaart de Nederlands regering in Londen de oorlog aan Japan.
Nog steeds loyaal aan 'Koningin en Vaderland', niet zo verbitterd als
ze geacht worden te zijn, tekenen een grote groep geïnterneerden een
verklaring, waarin zij aanbieden Indië te helpen verdedigen in geval
van een Japanse aanval. Het verzoek wordt genegeerd; er gebeurt iets
heel anders.

Op 21 januari 1942 worden 146 geïnterneerden in Soerabaja ingescheept
aan boord van het m.s. 'Tjisadane'.
Onder hen bevinden zich de heren ir. L.K.A. Raedt van Oldenbarnevelt,
L.A.J. van Poelje, C.J. Kraak en de KNIL-militair J.E. Stulemeyer.
Het schip zal hen via Kaapstad naar Suriname brengen. "Vergeet de boten,
de boeien en de reddingsvlotten," krijgen de gevangenen aan boord van de 'Tsjisadane' te horen van de mariniers die hen bewaken. "Die zijn niet
voor jullie. Als er wat gebeurt, verzuipen jullie als ratten en jullie
verdienen niet beter."

De 'staatsgevaarlijken' maken de reis opgesloten in een grote stalen
kooi in het voorschip. In soortgelijke kooien waren eerder bijna 500
Duitse geïnterneerden vanuit een andere Nederlands-Indische haven ver-
trokken aan boord van het KPM-schip Van Imhoff. Kort na zijn vertrek uit
Sibolga werd het schip gebombardeerd door Japanse vliegtuigen, waarna het zonk; ruim 300 van de geïnterneerden verdronken.
De Nederlandse bemanning maakte zich met de sloepen uit de voeten, zonder ook maar één geïnterneerde (onder wie zich Duitse joden bevonden, anti Nazi Duitsers en krankzinnigen) toe te staan aan boord de komen.
Gelukkig zijn de 'passagiers' van de 'Tsjisadane' nog niet op de hoogte
van deze gebeurtenis. Als hún schip gebombardeerd of getorpedeerd wordt, zal hun lot nog gruwelijker zijn dan dat van de mensen op de Van Imhoff. Daar had de bemanning op het laatste moment nog de kooien van de gevangenen geopend. De kapitein van de 'Tsjisadane' heeft een andere opdracht:
in het ruim onder de kooi zijn explosieven aangebracht; als de bemanning
van boord zou gaan, zullen die tot ontploffing worden gebracht.
Zover is het gelukkig niet gekomen; op 1 maart 1942 komt het schip veilig
in Paramaribo aan.

Kolonel Meyer

De gevangenen worden aanvankelijk eerst opgesloten oude slavenverblijven van Fort Nieuw-Amsterdam en in september 1942 overgebracht naar Kamp Joden Savanne, 50 kilometer ten zuiden van Paramaribo.
Daar moeten ze dwangarbeid verrichten in de houtploeg, de bootploeg of
de visploeg. Ze krijgen geen post en ook geen voedselpakketten van het
Rode Kruis. Het kamp wordt 'de groene hel' genoemd.
De hygiënische omstandigheden zijn slecht, en veel gevangenen krijgen
dysenterie en malaria. De enige arts is de eveneens geïnterneerde havenarts van Tandjong Priok Lex Schoonheyt.

Vier geïnterneerden - Raedt van Oldenbarnevelt, Van Poelje, Kraak en
Stulemeyer - worden op 4 november 1942 opgesloten in Fort Zeelandia te
Paramaribo. Ze hadden het bevel van Kampcommandant Roos niet opgevolgd om oude joodse graven bloot te leggen om sieraden en goud te zoeken.

Op 6 november 1942 worden Raedt van Oldenbarnevelt en Van Poelje in Fort Zeelandia door de mariniers Grift en Verhoeven zogenaamd 'op de vlucht' doodgeschoten (standrechtelijk geëxecuteerd!).

De verantwoordelijke voor de dubbele moord is de territoriaal commandant van Suriname, de in Semarang (Java) geboren kolonel J.K. ('Jantje') Meyer. Voor de oorlog was hij lid geweest van de NSB, maar al vóór het begin van de razzia's in Nederlands-Indië naar Suriname overgeplaatst.

(Meyers NSB-lidmaatschap was bekend bij Raedt van Oldenbarnevelt, die
vlak voor zijn executie nog tegen hem had gezegd: "U bent nota bene
zelf NSB'er geweest. Moet u dan zo rottig tegen ons doen?")

Kolonel Meyer heeft na de moorden bij ongewenste getuigen aangedrongen op zwijgzaamheid. "Je houdt je smoel er over, kan je daarop zweren", zegt hij volgens de Surinaamse administrateur van de schutterij, Johan Wong Swie Wan. De enige lezing mag zijn, dat de beide 'landverraders' bij een vluchtpoging zijn omgekomen. Dat staat ook in het officiële rapport dat marinier Grift moet ondertekenen.

(De mariniers Grift en Verhoeven hebben van Meyer een 'tevredenheids-
betuiging' gekregen.)

De beide vermoorden zijn niet de enige slachtoffers van de internering
in Suriname.
Met name ouden van dagen, zwakken en zieken zijn niet bestand tegen de
enorme ontberingen en vernederingen onder het mensonterende regime van kolonel Meyer.

Na de oorlog

Op 5 mei 1945 staan alle geïnterneerden van het kamp Joden Savanne aangetreden in het gelid. Meegedeeld wordt dat Nederland bevrijd is; dat de Nederlandse vlag gehesen zal worden en het Wilhelmus ten gehore gebracht. De geïnterneerden krijgen te horen 'dat op degenen die tijdens het ceremonieel niet stram in het gelid blijven staan, zal worden geschoten!'.

Zonder vorm van proces worden ze ruim een jaar later, op 15 juli 1946, vrijgelaten en met de 'Boissevan' naar Nederland gevaren.

(Kolonel Meyer was daarvóór al naar Australië overgeplaatst en vandaar
naar Nederlands-Indië, waar hij het bevel kreeg over de V-brigade op
Midden-Java. Voor zijn krijgsverrichtingen tijdens de 1ste Politionele
Actie kreeg hij de Militaire Willemsorde 4e klasse en werd kort daarna
bevorderd tot generaal-majoor en troepencommandant van Midden-Java. Eind 1949 nam Meyer ontslag uit militaire dienst; emigreerde naar Amerika en vestigde zich in Danbury.)

In de jaren 1949-1950 krijgt Hendrik Jan van der Molen, kapitein van de marechaussee en later hoofdcommissaris van politie te Amsterdam, de op-
dracht de dubbele moord in Suriname te onderzoeken.

(Toeval of niet, maar het onderzoek is pas gestart nadat de uitgeweken hoofdverdachte Meyer zich reeds had verzekerd van een Amerikaans paspoort.)

Hieronder volgen enkele verklaringen uit de officiële verhoren van oog-
getuigen, zoals die zijn terug te vinden in de archieven:

Jaques R.F. Maatrijk constateert 'dat Raedt van Oldenbarneveldt geboeid
is, geen poging tot ontvluchting doet, en desondanks wordt neergeschoten'.

Johan W.S. Wong Swie Wan, militair administrateur in Fort Zeelandia,
hoort 'het geratel van een tommygun' en ziet 'Raedt van Oldenbarneveldt
in elkaar zakken'.
De volgende dag spreekt kolonel Meyer tot hem: "Je hebt het gebeuren van gisteravond meegemaakt. Je houdt je smoel er over".

Robert J.C. Hoft, Surinamer, hoort Meyer direct na de moorden zeggen:
"Maak je maar niet warm, deze twee NSB'ers zijn namens mij doodgeschoten".

Christiaan G.V. Knoppel, op de fatale dag wachtcommandant in Fort Zee-
landia: "Kolonel Meyer vond dat ik niks in mijn rapport hoefde te melden
over het neerschieten van die twee".

Dr. Anton E. Wolf, lijkschouwer, concludeert 'dat projectielen uit een
vuurwapen in den rug van Raedt van Oldenbarneveldt zijn binnengedrongen en dat er vier projectielen door den buikwand weer buiten het lichaam zijn getreden'. Bij Van Poelje zijn 'drie projectielen uit een vuurwapen in den rug binnengedrongen'.

Ondanks alle belastende verklaringen wordt de zaak geseponeerd!

(De in Suriname ten onrechte geïnterneerde 'staatsgevaarlijken' kregen
onder de naam 'eerherstel' 500 gulden. Dit werd door sommigen trots ge-
weigerd; ze vonden het meer een fooi dan 'eerherstel'.)

Begin 1972 komt de zaak in de publiciteit door een reportage van AVRO's Televizier en een uitgebreid artikel in het dagblad Het Parool, waarin
de toenmalige waarnemend procureur-generaal in Suriname mr. E. Grünberg het drama een laffe moordpartij noemt.

Grünberg: "Uit onderzoek van de patholoog-anatoom en foto's van de schotwonden is gebleken dat de schoten van zeer dichtbij werden afgevuurd.
Beide slachtoffers waren met hun handen op de rug geboeid.
Het is uitgesloten dat ze probeerden te vluchten. Het is zeker, dat de
kolonel Meyer, die het bevel gaf tot de moorden, vóór de oorlog lid is
geweest van de NSB en dat daarin voor hem één van de motieven lag om
zich van lastige getuigen te ontdoen."

In hetzelfde Parool-interview zegt een hoge politie-officier:
"Van Poelje en Raedt van Oldenbarnevelt wisten dat Meyer vóór de oorlog
in zijn Indische tijd lid van de NSB was geweest en die kennis staken
ze niet onder stoelen of banken."

April 1972 stelt het Kamerlid De Goede (D66) hierover vragen aan de
ministers Van Agt (Justitie) en Koster (Defensie).
Minister Koster antwoordt de Tweede Kamer 'dat de mariniers ongetwijfeld
beïnvloed zijn geweest door de geestesgesteldheid van haat en rancune
jegens veronderstelde landverraders'.
Het antwoord van Van Agt wordt vermeld in de Haagsche Courant en het NRC Handelsblad van 26 april 1972. Hierin zegt hij onder andere 'dat tegen
de toenmalige kolonel Meyer, sinds 1949 gevestigd in de Verenigde Staten,
zodoende geen vervolging meer kan worden ingesteld'.

(Johan Kroese Meyer overlijdt midden jaren '70 in de Verenigde Staten,
zonder ooit een officiële verklaring te hebben afgelegd over de moorden
in Suriname.)

De KNIL-militair Stulemeyer - die vanwege zijn kritische opmerking over
de vlucht van koningin Wilhelmina ruim 6 jaar gevangen had gezeten -
heeft later nog getracht eerherstel te verkrijgen. Op zijn vraag waarom
hij destijds geïnterneerd was geworden, kreeg hij ten antwoord: "U werd potentieel staatsgevaarlijk geacht en daarom vastgezet".
En op zijn vraag of die mishandelingen en moorden er ook bij hoorden,
luidde het antwoord: "Dat is nu eenmaal inherent aan interneringen."

Stulemeyer: "Geen enkele officier of marinier werd vervolgd voor de
moorden en mishandelingen. Ik heb geprobeerd recht te verkrijgen. Ik
heb zelfs een proces aangespannen tegen de Nederlandse staat. Het mocht
niet baten."

(De weduwe van Raedt van Oldenbarnevelt heeft een bedrag aan (zwijg)geld gekregen en daarmee was ook deze zaak in de doofpot gestopt!)

Tot slot

In de jaren 1947-1948 zou Meyer overigens ook betrokken zijn geweest bij
een corruptie-affaire in Nederlands-Indië (de zogeheten zaak-Aernout).
Althans, dit is naar voren gekomen tijdens het verhoor van de eveneens
in opspraak geraakte generaal Mojet, die op 28 december 1950 tegenover
een onderzoekscommissie (de Commissie-Zaaijer) de - door hem van generaal Spoor vernomen - namen noemde van een aantal hoge autoriteiten en KNIL-officieren die bij de corruptie betrokken waren, waaronder de luitenant-gouverneur-generaal Van Mook, Van Hoogstraten en de generaals De Waal en Meyer.

Mojet voegde hier nog aan toe: "Ik voel mij verantwoord in deze kring
deze namen te noemen, daar ik rekening houd met de mogelijkheid dat
mijn naam - die thans beklad wordt - als dekmantel gebruikt wordt door
anderen."

Zoals bekend, is ook de zaak-Aernout in de doofpot gestopt.

==========

Bronnen:

Nationaal Archief, Ministerie van Overzeese Gebiedsdelen, inv.nr. 12081,
Dossier Raedt van Oldenbarnevelt.
Rapport-Zaaijer, bijlage 22, d.d. 28 december 1950 betreffende het verhoor van generaal-majoor b.d. J.J. Mojet.
A.G. Besier, 'De groene hel. Een Nederlands concentratiekamp in Suriname
1 maart 1942 tot 15 juli 1946', 1994.
C. van Heekeren, 'Batavia seint: Berlijn', 1967.
Twan van den Brand, 'Je houdt je smoel er over, kan je daarop zweren',
Brabants Dagblad, 26 juni 2004.
Liesbeth van der Horst, 'Wereldoorlog in de West; Suriname, de Nederlandse Antillen en Aruba 1940-1945', 2004.
L. de Jong, 'Het Koninkrijk de Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog',
deel 11a, 1984.
Joke Sluyter, 'NSB'ers als zondebokken', Haagse Post, 10 november 1984
J.E. Stulemeyer, 'Kamptoestanden in Nederlands Oost-Indië en Suriname
1940-1946', 1978.
AVRO's Televizier, 6 en 13 februari 1972
Het Parool, 18 maart 1972
Haagsche Courant, 26 april 1972
NRC Handelsblad, 26 april 1972


Samengesteld door Gerard de Boer
Amstelveen
Dit verslag is bijgewerkt tot en met juli 2006.

 
Copyright 2005, Little Planet